Monday, September 15, 2008

Het had een reclamespotje van Postbus 51 kunnen zijn:

 

Gewone man komt tikkeltje verfomfaaid de rechtszaal binnen.

Hij kijkt verbaasd en niet helemaal vrij van zorg om zich heen en naar de wachtende rechters.

De camera zoomt in.

Man zegt: 'Ik ben geen misdadiger'

Volgende beeld is dat van een automobilist die een bromfietser van de sokken rijdt.

Dan verschijnt in beeld: Artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Donkerbruine stem: En die is er voor ons allemaal.

 

Of zoiets.

 

Maandagochtend, even na negen uur.

Op de gang voor zittingszaal 14 zitten wel dertig advocaten in opleiding die eens een strafzaak willen bijwonen.

Ze zitten te wachten.

Heel realistisch al, want het werkzame leven van een strafrechtadvocaat bestaat voor een aanzienlijk deel uit wachten.

 

In dit geval is het wachten op Tom.

Om half tien is duidelijk dat Tom niet komt.

De rechtbank is daar niet blij mee, want dit is al de tweede keer dat Tom niet komt.

Drie maanden geleden, toen Tom er had moeten zijn, maar er niet was, besloot de rechtbank de strafzaak aan te houden.

 

Nu mag een verdachte wegblijven, maar rechters houden daar niet van.

Zij willen een verdachte, over wie ze per slot van rekening moeten oordelen, in de ogen kijken.

En dus besloot de rechtbank dat Tom per direct door de politie van huis moest worden gehaald.

 

En zo kwam het dat Tom anderhalf uur later, een tikkeltje verfomfaaid, zittingszaal 14 betrad, met verbazing om zich heen keek en zei: 'Ik snap d'r helemaal niks meer van, ik ben geen misdadiger.'

 

Op 8 januari dit jaar bracht Tom in Zoutkamp met de auto zijn dochter naar de bushalte.

Het was nog donker buiten en tegen half acht.

Als geboren Zoutkamper kende hij de weg als zijn broekzak.

Daar lag het niet aan.

 

Als hij, ter hoogte van de bushalte, links af slaat, is het net – zegt hij – alsof er een steen door de voorruit knalt.

'Ik had het niet direct in de gaten.'

 

Er was ook geen steen.

Wel een brommer met een behoorlijk gewonde bestuurder op de grond.

 

Tom zegt: 'Ik kan nu wel een heel verhaal hier gaat zitten vertellen, maar ik heb die jongen gewoon niet gezien. Ja, ik had voorrang moeten verlenen. Als ik hem had gezien, dan had ik dat ook gedaan, dan was ik gestopt. Maar ik heb hem niet gezien, niet meer en niet minder. Zo simpel is het.'

 

De rechters informeren nog of Tom goed uitgeslapen was die ochtend, of hij wel eens een black-out heeft, brildragend is, of hij thuis schulden heeft?

Tom: 'Ik heb een keer een boete gehad voor zes kilometer te hard.'

 

Hoe hij er nu op terugkijkt?

Tom zegt: 'Ik rijd daar dagelijks langs en worstel er nog steeds mee. Maar ik kon er niks aan doen, want ik zag hem niet.'

 

De officier van justitie is snel klaar met Tom.

Zegt: De brommer voerde licht en was waarneembaar. Als meneer hier zegt dat hij de brommer niet heeft gezien, dan heeft hij niet goed uitgekeken. Had hij goed uitgekeken dan immers had hij de brommer wel moeten zien.'

Tom: 'Maar ik zag 'm niet.'

 

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet is Tom ten laste gelegd.

Dat gaat om een misdrijf.

Het is een verkeersdeelnemer verboden zich zo te gedragen dat door zijn schuld een verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of zwaar lichamelijk letsel oploopt (vrije vertaling).

Goed voor zes jaar gevang.

 

De officier vindt dit echter een brug te ver.

Eén foutje hoeft nog niet direct tot schuld te leiden, citeert hij de Hoge Raad op dit punt.

Hij vordert vrijspraak.

 

Blijft wel over artikel 5 van diezelfde wet.

Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt…

Een overtreding.

Maar, zegt de officier van justitie, omdat we het hier niet hebben over een gevalletje blikschade, eis ik een boete van 500 euro.

 

Tom: 'Zo zal 't wel wezen.'

 

Rob Zijlstra

 

 

nieuw weblogadres:

www.zittingszaal14.nl

 

posted @ 7:55 PM | Feedback (20)