Het is een hardnekkig misverstand dat boeven per definitie slechte mensen zijn.
Het is wel een aangenaam misverstand en misschien daarom wel zo hardnekkig.
Het is aangenaam omdat het vooral veilig is.
Het is gemakkelijker om slechte mensen op te sluiten.
Wie wil er nou goede mensen opbergen?
Dat voelt juist ongemakkelijk.
Daarom noemen we een moordenaar graag een beest, zo maken we van hem een onmens.
Wij van de pers doen erg ons best het misverstand in ere te houden.
Wij schrijven niet over de 60-jarige man die zo op het eerste gezicht op een lieve opa lijkt waar de kleinkinderen stapelgek op zijn en die desondanks iets vreselijks heeft gedaan.
Wij schrijven liever: Het Beest van Harkstede.
En beesten sluit je op, als het even kan levenslang.
Dat is bijna logisch.
Omdat het veiliger is de ongrijpbare, grillige wereld te versimpelen, delen we het spul in, in goed en kwaad.
Wij zijn goed en zij, hunnie, de boeven slecht.
Was het misschien maar zo zwart-wit en simpel.
Ik herinner mij de man die in Groningen vier gewapende overvallen had gepleegd, daarbij ook echt (in de lucht) schoot en onuitwisbaar leed veroorzaakte bij winkelmedewerkers. Zijn motief: hij wilde hoe dan ook geld om nu eens echt mooie cadeautjes voor zijn dochtertjes te kunnen kopen met kerst.
Ook een slechte boef is niet 24 uur per dag met slechte dingen bezig.
Aan dit alles zat ik te denken toen ik donderdagmiddag in zittingszaal 14 naar een 19-jarige Ronnie zat te kijken.
Voor mij zat zijn – denk ik - iets oudere slachtoffer.
Zo te zien ook geen onaardige jongen.
Hij heeft er ook niet om gevraagd, slachtoffer te worden.
Ik noem hem maar Albert.
In het kort ging het om het volgende.
Albert was met vrienden op stap, Ronnie met zijn broers. In de discotheek kreeg Albert onenigheid met een van die broers. De broers zeiden, we hebben daar geen zin in, we gaan hier weg. Maar eenmaal buiten, op de Grote Markt, gaat het mis. Albert rent op die ene broer af en er ontstaat knokkerij.
Op dat moment komt Ronnie naar buiten en hij ziet zijn broer vechtend over het marktplein rollen. Hij raakt in paniek, pakt zijn mes dat hij eens als souvenir in Spanje had gekocht, en steekt.
Vier keer in de rug van Albert.
Die gaat met klaplong net niet dood.
Ronnie: 'Niemand deed iets en ik wilde alleen maar dat het stopte. Toen heb ik het verkeerd gedaan."
De politie ziet het gebeuren en Ronnie ligt voordat hij er erg in heeft geboeid op de grond, met zijn rechterwang op de stenen. Albert wordt buiten bewustzijn naar het ziekenhuis gebracht en gered.
De officier van justitie spreekt van een typisch geval van uitgaansgeweld, met veel alcohol in de mannen van beide kanten.
Albert wil nu geld zien en vordert – tijdens de zitting – alvast 4.000 euro bij wijze van voorschot.
Geef hem eens ongelijk.
Maar ik kijk dus vooral naar Ronnie.
Ik had hem als eens eerder gezien in de rechtszaal, tijdens een pro forma.
Toen kon hij alleen maar huilen.
Nu probeert hij zich te vermannen, maar dat kost hem zichtbaar de grootste moeite.
Een van de rechter zegt: U mag wel huilen, maar het hoeft niet.
Zelden heb ik een verdachte gezien die zoveel oprechte spijt betuigde als deze verdachte slechterik.
Al maanden zit hij in de cel te pinaren hoe hij het nare gebeuren op die vroege ochtend van 23 maart terug kan draaien.
Zijn conclusie: terugdraaien kan niet.
Hij zegt: 'Ik heb straf verdiend.'
Ik heb met Ronnie te doen.
Albert, het slachtoffer zal nu zeggen, bulshit Zijlstra, voor mij blijft die eikel een eikel eerste klas en dan kan ik hem geen ongelijk geven.
Zo grillig is het.
Wat nog een beetje in het belang van Ronnie geschreven kan worden, is dat hij belast is met een stoornis. De psychiater en psycholoog stellen een angst- en paniekstoornis vast.
De officier van justitie neemt die vaststelling over.
Zegt (vrij vertaald): Zijn stoornis in combinatie met een biertje of twee te veel in de man maakte het dat hij de situatie waarin zijn vechtende broer zich bevond, ernstiger inschatte dan het in werkelijkheid was. Licht verminderd toerekeningsvatbaar. In mijn strafeis zal ik daar rekening mee houden.
De strafeis.
De officier van justitie zegt het niet, maar laat wel doorschemeren dat zij Ronnie liever ook niet naar de gevangenis stuurt.
Omdat zij ook wel weet dat een 19-jarige Ronnie daar eigenlijk niets te zoeken heeft.
Ze eist twintig maanden, waarvan acht voorwaardelijk.
Dat is netto – met de nieuwe wetgeving – twaalf maanden van huis.
De officier van justitie weet ook wel, denk ik, dat niemand met zo'n eis iets opschiet.
Ook de linker arm - die nog steeds zonder gevoel is - van Albert niet.
Maar ze zegt, alles overwegende: 'Ik ga toch een forse vrijheidsstraf eisen. Vooral ook als signaal naar de maatschappij, als signaal dat we uitgaansgeweld niet tolereren.'
Ronnie buigt en buigt diep.
Accepteert dat hij nog zeven maanden moet zijn waar hij niet thuishoort.
Zegt: 'Ik werk aan alles mee , maar hoop boven alles dat het goed gaat met het slachtoffer. Dat het weer goed komt.'
Signaal.
Ik dacht: hoe gaat de officier van justitie haar signaal dan afgeven?
Gaat zij komende zaterdagnacht op een zeepkist op de Grote Markt staan om het uit te roepen?
Stuurt justitie een vliegtuig met sleep de lucht in?
Een wapperende banier aan de Martinitoren?
Dure advertentie in de krant?
Flyers?
Of gaat de officier van justitie er vanuit dat wij van de perstafel haar signaal gratis en voor niets de wereld inzenden?
Stel dat wij van de perstafel even niet in zaal 14 zaten?
Was de eis bij gebrek aan signaaleerders dan anders geweest?
Donderdagavond.
Ronnie komt terug op de afdeling.
En?
Twintig, waarvan acht.
De mede-boeven: 'Dan moet je nog zeven. Toe, huil maar niet.'
Albert komt thuis.
En?
'Waardeloos. Die eikel komt weg met twaalf maanden.'
De officier van justitie komt thuis.
En?
'Goeie dag. Ik heb een signaal afgegeven.'
De rechtbankverslaggever komt thuis.
En?
'Trieste zaak. Daar ga ik nog even een stukje over schrijven.'
Rob Zijlstra