Er zijn verdachten die iets verdachts doen en dan voor de rechters spijt betuigen en bezweren dat ze zoiets stoms nooit weer zullen doen.
Soms komt dat geloofwaardig over.
Rechters willen dan zo'n boef wel eens het voordeel van de twijfel geven.
Omdat ze hopen dat deze verdachte het ook echt bij deze ene keer zal laten.
Een jaar geleden zeiden de rechters tegen Johannes (toen 27 jaar): 'We hopen dat u het redt.'
Johannes had in de Nieuwstad in Groningen geprobeerd een man te beroven. De politie keek toe en ook daarom was het stom.
Twee maanden later sloeg hij op de Grote Markt een 70-jarige man de bril van het hoofd met de bedoeling hem te beroven. De politie redde hem uit de klauwen van te hulp geschoten omstanders.
De officier van justitie zei destijds dat wat hij had gedaan op zich een forse gevangenisstraf zou rechtvaardigen. Echter, Johannes verbleef in een verslavingskliniek en daar deed hij het volgens de reclassering hartstikke goed.
Terug naar de gevangenis zou alleen maar roet in het eten gooien en dat smaakt niemand.
Johannes knikte, zei dat hij spijt had, bood zijn excuses aan en zei tegen de rechters dat hij hoopte ooit eens iets terug te kunnen doen voor de slachtoffers.
En zo kreeg hij een werkstraf opgelegd van 200 uur en een stok achter de deur van negen maanden voorwaardelijk.
Daarmee kwam hij goed weg.
Een jaar later, donderdagochtend, stapt Johannes voor de tweede keer in zijn leven zittingszaal 14 van de Groninger rechtbank binnen.
Ik denk, verhip, dat is die steigerbouwer van een jaar geleden, die op de Grote Markt een oude man wilde beroven, die nooit voor drie uur 's nachts naar bed ging, maar wel altijd weer om vijf uur op moest staan omdat het busje van zijn werkgever dan voor de deur stond. Die heel de dag cocaïne snoof, ook op de steigers, om het vol te kunnen houden.
Johannes is inmiddels 28.
Zijn baantje op de steigers is hij kwijt.
Op 10 januari, rond zeven uur 's avonds, stapt hij de slijterij van de Mitra binnen, begroet de medewerkster en eist met een keukenmes in de hand dat de kassa wordt geopend.
Zegt daarbij: 'Schiet op.'
Uit drie vakjes van de kassalade grist hij 195 euro.
Dat laatste zegt de Mitra.
Zelf dacht Johannes dat het meer was.
Tegen de rechters zegt hij: 'Ik kwam uit die verslavingskliniek en toen was ik zwervende en toen is het uit de hand gelopen en ik had geld nodig want ik moest scoren.'
Op 23 januari, tegen acht uur 's avonds, ziet hij hoe de medewerkster van Gall & Gall tegenover de Albert Heijn in Groningen-zuid kleingeld sorteert. Op het moment twee buitenlandse types de zaak verlaten, gaat hij naar binnen. Met het mes in de hand bedreigt hij de drankverkoopster en graait 120 euro uit de openstaande kassa.
De beelden van de beveiligingscamera laten zien hoe hij daarna rustig de winkel uitloopt.
De rechters willen weten: hoe gaat u te werk?
Johannes: 'Dat heb ik bij de politie al verteld, ik ga niet alles weer vertellen.'
Op 15 februari, tegen half negen 's ochtends, drinkt hij drank met Sandra de tippelaarster en samen gebruiken ze ook heroïne met nog wat cocaïne na.
Als Sandra halverwege de ochtend geld gaat pinnen, gaat Johannes wel even mee. Als hij niet heel lang daarna terugkeert in die woning van een kennis, heeft hij last van zijn maag en gaat op de bank liggen.
Daar wordt hij ook gearresteerd.
Hij zegt tegen de politie dat hij die ochtend alleen even weg is geweest om een overval te plegen.
Het was die ochtend geen plan vooraf geweest.
Zegt: 'Ik wou meer, meer, meer.'
Johannes stottert een beetje.
Hij was Tabak Gemak, niet ver van die Mitra, binnengewandeld en zag dat de twee medewerksters bezig waren met de paasversieringen.
Daarom probeert hij, groot mes in de hand, zelf de kassa te openen.
Een van de medewerksters roept: 'Hé, wat moet dat daar?'
Johannes: 'Geef me geld, geef me geld!'
Met het mes rent hij door de winkel achter de medewerkster aan.
Die roept, in angst, dat ze hem geld zal geven.
Op dat moment roept de andere medewerkster: 'Bengel, pak 'm.'
Tegen de rechters: 'Ik had geen zin in een hond.'
Als hij vrij komt, kan hij bij zijn nicht wonen. 'Mijn nicht is alles wat ik nog heb.'
Hulp van een kliniek wil hij niet. 'Ik ga het zelf doen.' En als hij het zelf niet kan, dan wil hij wel onder begeleiding op een kamer gaan wonen in Rotterdam.
De rechters zeggen dat ze er een hard hoofd in hebben.
De officier van justitie: 'Ik heb er geen grammetje vertrouwen in. Beseft u wel wat u uw slachtoffers aandoet?'
Johannes knikt.
Ja, dat beseft hij wel.
Hij zit onderuitgezakt in de verdachtenstoel en peutert nu al een uur lang met duim en wijsvinger aan zijn lippen.
Dan hoort hij de officier van justitie zeggen: dertig maanden gevangenisstraf plus die negen maanden die hij vorig jaar (toen er nog hoop was) voorwaardelijk kreeg opgelegd.
Johannes heeft het niet gered.
Rob Zijlstra
UPDATE - uitspraak - 12 juni 08
Het vonnis is conform de eis: 30 maanden en een tenuitvoerlegging (tul) van 9 maanden.