De officier van justitie deed haar stinkende best.
De behandelend rechter ook.
Maar Jan en Ron piekerden er niet over.
Jan, net 18 jaar, heeft geen enkel vertrouwen in alles wat naar hulpverlening riekt.
Ron, al vier maanden 19, nog minder.
Zij die eens hebben bedacht dat het strafrecht is bedoeld om de criminaliteit de nek om te draaien door middel van harde en als het eventjes kan nog zwaardere straffen, zouden donderdag kromme tenen hebben gekregen in zittingszaal 14 van de rechtbank in Groningen.
Maar ik vond het een mooie zitting.
Ik zag een boeiende confrontatie tussen de rechterlijke macht, de officier van justitie incluis en twee kut-Nederlandertjes die niet willen deugen.
Deugniet Jan.
Puberpuisten en twee onrustige ogen.
Klotenleven tot nu toe.
Sinds zijn dertiende zit hij in de jeugddetentie.
Vorig jaar september werd hij 18.
Niet veel later ontsnapte hij uit de jeugdgevangenis en werd zo een volwassen voortvluchtige.
Deugniet Ron.
Eigenwijs hoofd.
Studeerde de kunde van de communicatie (hbo).
Raakte om de een of de andere reden dakloos.
In Assen nota bene.
Snoof daar in nota bene Drenthe een gram cocaïne per dag.
Wat zelfs naar Amsterdamse maatstaven best heel veel is.
Het moet dom toeval zijn dat het begin van dit verhaal begon in de Herman Broodstraat in Assen.
Jan en Ron (en Frans) liepen daar, het was 's nachts kwart voor twee, toen zij een man op een scooter zonder licht voorbij zagen rijden.
Ze dachten: hé, een man op een scooter zonder licht. En dat in een doodlopend straat. Ze besloten: die is van ons.
Jan zwaaide wat hysterisch (zegt hij) met een mes ('ik zou nooit echt hebben gestoken').
Ron had een gasalarmpistool in de broeksband.
Zo werd het hun scooter.
Jan: 'Ik had geen geld, wel honger.'
Ron: 'Ik had nog minder. Ik was een voortvluchtige.'
Ze zeiden die nacht: 'Weet je wat? We gaan naar Groningen, we gaan naar Groningen om wat geld te maken.'
En zo reden ze op 30 oktober vorig jaar vanuit de Drentse hoofdstad naar Groningen, naar het fietspad langs de Friesestraatweg.
Voor de goede rechtsorde: ze zijn in dit geval Ron en Frans.
Voortvluchtige Jan ging niet mee.
Hij keek wel uit.
Frans moet later terechtstaan.
Met hoge snelheid (een keertje met tachtig) sjeesden Ron en Frans op 'hun' scooter die nacht langs fietsers en probeerden dan tasjes aan het stuur of vanaf de bagagedrager weg te grissen.
Vier, vijf keer lukte het 'geld maken' niet.
Twee keer wel.
De rechters tegen Ron en Jan: En daar zit je dan, met een 312.
(Rechters bedoelen dan: daar zit je dan, voor een diefstal met geweld, artikel 312 wetboek van strafrecht)
Ron en Jan: Tja, daar zitten we dan. En wat dan nog?
Ron: 'Geef mij huisvesting en een dak op mijn hoofd en dan komt alles goed met mij.'
Jan: 'Het was fout, geef mij mijn straf en klaar. Ik red mezelf wel.'
De rechterlijke macht, de aanklager incluis, vonden dat de te gemakkelijk weg.
Ze hielden voor: Jullie staan op een kruispunt. Jullie kunnen linksaf of rechtsaf. De ene kant voert naar het glibberige pad van de criminaliteit (geen weg terug). De andere kant op wijst richting een normaal leven. Kies niet die ene, maar de andere kant, dan krijgen jullie wat hulp van ons justitie en zullen wij rechters niet de beroerdste zijn. Komt alles toch nog goed.
Ron en Jan: '?'
Rechter: Een klein beetje hulp.
Ron: 'Nee'
Rechter: Wie heb je hier uiteindelijk nou mee?
Ron: 'k Heb er geen behoefte an.'
Officier: 'Een gram cocaïne per dag is veel voor iemand die nog maar 19 is.'
Ron: '…'
Rechter: Over tien jaar heb je spijt
Ron: 'Julie fixeren alles op die drugs, maar drugs is niet mijn grootste probleem. Ik moet werk hebben en huisvesting.'
Rechter: Een 312!
Ron: 'Ik bepaal alles zelf wel.'
Rechter: Tja. Dat straal je ook uit.
De rechter geeft het op en probeert Jan.
Zegt ook tegen hem: Beetje hulp.
Jan: 'Ik zit al sinds mijn dertiende met problemen in jeugdgevangenissen. Nooit heb ik hulp gekregen. En nu moet het ineens? Nee.'
Rechter: Kont tegen de krib?
Jan: 'Ik kan via een oom werk krijgen.'
Rechter: Het leven is ingewikkelder dan jij denkt.
De officier: 'De reclassering heeft je opgegeven. Daar heb ik grote moeite mee.'
Rechter: De reclassering heeft je opgegeven, wil niets meer voor je doen. Doet dat je wat?'
Jan: 'Niks'
De officier van justitie vertelt op verjaardagsfeestjes misschien wel dat de samenleving het strafrecht overschat, dat het strafrecht nooit is bedoeld om de criminaliteit uit te bannen.
Ik hoor haar met tegenzin achttien maanden celstraf (waarvan zes voorwaardelijk) eisen tegen Ron. Tegen de voortvluchtige Jan vijftien maanden waarvan er vijf niet ten uitvoer zullen worden gelegd.
De drie rechters zullen in de raadkamer misschien wel tegen elkaar hebben gezegd: wat moeten we hier nou weer mee?
Ik zie twee jongens op een kruispunt in Drenthe staan.
Ze weten het niet.
De ene kant voert naar de Herman Broodstraat.
Die zong vrolijk Dope sucks en is tot held en straatnaam opgehemeld.
De andere kant op wachten duffe hulpverleners met daarachter het beloofde normale leven waar Ron en Jan nog nooit echt van hebben mogen proeven.
Het strafrecht voorziet niet in een sanctie die dwingt tot het bijwonen van strafzaken in zittingszaal 14.
Jammer genoeg niet.
Ik weet zeker dat Ron en Jan na vijftien (of achttien) zittingen zonder enige twijfel zouden zeggen: honger of voortvluchtig, criminaliteit sucks, weet je wat, we slaan linksaf.
Rob Zijlstra