Gaston is boos en zo stapt hij zittingszaal 14 van de Groninger rechtbank binnen.
Hij negeert met een vernietigende blik zijn advocaat.
Nadrukkelijk, maar zonder opgaaf van reden, heeft hij te kennen gegeven dat zij het woord niet mag voeren.
Zegt tegen de rechters: ’Ik wil mijn eigen verdediging voeren. Goed hè?
In zijn spijkerbroek zit een gat.
Nu kan ik, gezien wat nog komen gaat, een vermakelijk verhaal schrijven over de zaak Gaston.
Zodat u aan het slot kunt concluderen dat Gaston maar een aparte is en dat het bijwonen van strafzaken in zaal 14 zo nu en dan ook heel vermakelijk kan zijn.
Maar in het leven van Gaston valt weinig te lachen.
Hij zegt het ook zelf: ’Ik zit hier niet voor de lol.’
Gaston leeft een klotenleven.
Tussen wal en schip.
Al aan het begin van zijn 34 levensjaren, toen hij nog onschuldig was, is er iets dramatisch misgegaan.
Nog voordat de officier van justitie kan zeggen waarvoor Gaston terecht moet staan, zegt hij: ’Ik denk dat ik onschuldig ben, met uitzondering van enkele van de ten laste gelegde feitjes.’
Hij heeft, zegt de officier, op of omstreeks 30 mei dit jaar, in de binnenstad van Groningen een fietstas gestolen. En rond 1 mei brak hij een standaard van een fiets af, met de intentie om met dat ding het slot te forceren. Toen dat mislukte, eigende hij zich iets verderop nabij het Martinikerkhof, wederrechtelijk een Batavus Verona toe. Iemand zag het gebeuren en belde de politie met de mededeling dat een dronkenman aan het fietsenstelen was.
Gaston: ’Op genoemde datum gingen bij mij de lampjes uit. Ik ontwaakte in een politiecel. Ik kan de feiten ontkennen noch bevestigen.’
Rechters: Was u dronken?
Gaston: ’Ik gebruik op regelmatige wijze, maar de afgelegde verklaringen komen mij eigenaardig voor.’
Rechters: En die fietsstandaard?
Gaston: ’Dat zal voor mij op dat moment heel belangrijk zijn geweest en ik denk dat ik er toen zelfs een logische verklaring voor heb gehad. Maar nu niet, snapt u?
De officier van justitie zegt dat Gaston ook in winkels heeft gestolen.
Een anti ijsdek bij de Aldi, een quiche bij de Albert Heijn, twee toffeerepen bij de Jumbo en ergens een oranje dekzeiltje.
Klopt wel, zegt Gaston. ’Ik had geen geld voor voedsel.’
Rechters: Dus die feiten kunnen we bij ons oordeel betrekken?
Gaston haalt, nog altijd nors, de schouders op.
’Ik ben de rechtbank toch niet? Kijk, ik moet mij hier als volwassene verantwoorden voor kleine dingetjes. Maar gezegd moet worden dat de agressie van het winkelpersoneel niet in verhouding staat tot die twee repen.’
De rechters vragen hoe het met dat oranje dekzeiltje zit.
’Ik weet het plekje waar dat dekzeiltje ligt. Hoe het daar is gekomen, weet ik niet. Ik zou het graag willen vertellen in plaats van het antwoord schuldig te moeten blijven.’
Dan gooit Gaston het over een andere boeg.
’Ik heb medicijnen nodig voor mijn geestelijk welbevinden. Maar zij, justitie, willen dat ik mijn middelengebruik verander. En dat wil ik niet. Dat is een inbreuk op mijn zelfbeschikkingsrecht.’
Rechters: Maar u pleegt voortdurend strafbare feiten. Daarmee levert u iets van uw rechten in.
Gaston: ’Ik ben een slachtoffer van de omstandigheden. Ik onttrek mij aan de maatschappij, omdat ik denk dat ik geen schakeltje meer kan zijn in een arbeidzame samenleving.’
De officier van justitie zegt dat deze verdachte bovengemiddeld intelligent is, maar dat hij met zijn gedachten in een draaikolk zit. Hij zwerft verslaafd en als veelpleger door parken, bossen en door straten, wil niets weten van de toegestoken hand van de hulpverlening. Hij moet een dekzeiltje stelen om droog te kunnen slapen. We kunnen zeggen dat wij als samenleving veel last van hem hebben, maar aan de andere kant we moeten ons ook realiseren wat voor een beroerd leven hij leeft.
'Vroeg of laat komt het op de kop verkeerd.’
De eis luidt zes maanden gevangenisstraf.
Omdat de officier van justitie het met Gaston ook eventjes niet meer weet.
’Soms is strafrecht alleen maar vergelden. Met die zes maand beveiligen we de samenleving een tijdje en krijgt hij een beetje rust en te eten.’
Daar aan toevoegend: ’Ik weet zeker dat we hem hier binnenkort terugkrijgen’.
Gaston: ’Door mij aan de maatschappij te ontrekken, wordt geprobeerd mij maatschappijgeschikt te maken. Ik weet niet of dat de oplossing is. Ik begrijp het in ieder geval niet.’
De officier van justitie vat de zaak met parketnummer 18/670340 07 kernachtig samen: ’Hij zit in de maalstroom, en wij, wij zitten met de handen in het haar.’
Rob Zijlstra