Friday, September 14, 2007

balletje

 

Ik stel me het zo voor, als Peter aan het einde van de middag terugkeert op de afdeling.

 

Zijn medegedetineerden vragen: 'En? Hoe was 't jongen?

Pff, zucht Peter, 'Het ging zoals jullie al hadden gezegd.'

De medegedetineerden: 'Zie je wel, zeiden we toch? Hoe waren de rechters?

Peter: 'Uuh, die waren eigenlijk best wel aardig.'

Medegedetineerden: 'Zijn ze meestal. Zegt niks. De officier van justitie?

Peter: 'Een kreng.'

Een vrouw?

Peter: 'Ja, blond.'

Shit. Hoeveel?

Peter: '24 maanden, zes voorwaardelijk.'

Fuck man, hoe lang zit je hier al?

Peter: 'Drie maanden en vier dagen.'

Okay. Moet je dus nog, uuh, nog negen. Zijn wij al weg. En je advocaat?

Peter: 'Die had een heel verhaal, ik snapte d'r eigenlijk helemaal niks van. Maar volgens mij was hij wel goed. Hij zei tegen de rechters dat de eis van de officier veel te hoog was, hij zei zoiets van dat het niets toevoegt dat ik nog negen maanden hier moet zitten.'

Dat zeggen die advocaten altijd, man. Nou, join the band. O ja, was je moeder er ook?

Peter: 'Ja, gelukkig wel.'

Dat is altijd goed, daar zijn rechters wel gevoelig voor. Ga slapen, man, zo'n dag op de rechtbank, dat sloopt je.

Peter: 'Ze vroegen nog hoe ik mijn toekomst zie.

De medegedetineerden: 'Kop op Peter, morgen gaan we tafeltennissen. Okay?'

 

En daar zit hij dan, zo stel ik mij dat voor, na een lange dag alleen in zijn cel.

Twee weken wachten op de uitspraak.

Nog nooit was hij zo eenzaam.

Hij had zich, potverdorie, zo voorgenomen om niet te gaan janken. En wat? Binnen vijf minuten ging het al mis. Zat ik daar als een klein kind te grienen. Ja, die ene rechter, die was dus echt wel aardig. Zij gaf me haar papieren zakdoekjes. Maar die fucking pers was er volgens mij ook. Ik mag toch hopen dat het morgen niet in de krant staat. Gaan ze me allemaal uitlachen. Kon ik het maar terugdraaien. Alles. Dat alles weer was zoals eerst.

 

Dit alles is door mij verzonnen.

 

Wat wel echt is, is dat Peter, 19 jaar, donderdag terechtstond in zittingszaal 14 van de Groninger rechtbank.

En dat hij daar met rode oogjes bekende in mei dit jaar een zelfgemaakte molotovcocktail op het dak van de sporthal had gegooid, dat hij dat bij de politie – tegen beter weten in – steeds had ontkend. Hij had tegen beter weten in anderen de schuld gegeven.

Wat echt is dat de sporthal in stadswijk Lewenborg volledig afbrandde.

Schade: 2,2 miljoen euro.

Het belendende verzorgingstehuis met zestig hoogbejaarden moest ontruimd.

Ook zijn schuld.

De papieren zakdoekjes van een van de rechters waren ook echt, alsmede de eis van vierentwintig-zes van de officier van justitie.

En dat hij per dag zo'n tien tot vijftien jointjes rookte, zonder dat zijn moeder dat wist, klopte eveneens.

Hij was heel de dag stiekem stoned.

En wat nog echter is, is de claim van de gemeente Groningen, de eigenaar van de verbrande sporthal.

Hij, hierdoor vriendin kwijt, geen werkgever meer die hem laat lassen, moet de gemeente Groningen 500.000 euro betalen.

Dat is meer dan een miljoen toen hij dertien was.

Van de drie minderjarige molotovcocktail-medeplegers – die in oktober bij de kinderrechter terechtstaan -  heeft hij wat dit betreft, 481.148 euro om precies te zijn,  niet veel te verwachten.

 

Zijn toekomst?

Morgenvroeg tafeltennissen.

 

Rob Zijlstra

 

UPDATE - uitspraak - 27 september 2007

De rechtbank vonniste achttien maanden celstraf, waarvan zes voorwaardelijk. Daarnaast moet hij die 481.148 euro aan de gemeente Groningen betalen. Dat mag in termijnen.

 

 

 

posted @ 1:31 AM | Feedback (20)

Bernard drinkt met vrienden een paar biertjes in een café in Delfzijl.

Elders in de havenplaats zit Frank in zijn draaistoel naar de televisie te kijken.

 

Een paar uur later meldt Bernard zich in paniek op het politiebureau. Hij is bang dat hij Frank zojuist heeft doodgestoken.

Het mes waarmee, heeft hij bij zich.

Er zit bloed aan.

In het ziekenhuis wordt Frank geopereerd.

 

Dit alles was in mei dit jaar.

Donderdagochtend zitten Bernard en Frank in zittingszaal 14 van de Groninger rechtbank.

Bernard als verdachte, het slachtoffer Frank als getuige.

De blikken die hij Bernard toewerpt, zijn dodelijk.

Hij zou graag eventjes vijf minuten met die Bernard, met hem daar, alleen willen zijn. De extra parketpolitie in de zaal staat op scherp.

 

Frank, 27 jaar, zegt dat hij volwaardig bouwvaker was. Dat hij sinds zijn dertiende heeft gewerkt. En nu? ’Nu ben ik een handlangertje, ik mag het gereedschap aangeven. Met mijn arm kan ik niks meer en het is maar de vraag of het ooit weer goed komt.’

Hij toont een gehavende arm aan de rechtbank.

 

Geëmotioneerd: ’En ik mag mijn dochtertje van anderhalf ook niet meer zien. Dat heb ik aan hem daar te danken. Mijn ex vindt het te gevaarlijk, omdat ik in een getto woon, met steek- en schietpartijen.’

 

Na een paar biertjes in het café belt Bernard het telefoonnummer van Jan.

Jan verkoopt cocaïne, ook al is het dan al twee uur ’s nachts. Jan’s telefoon gaat daar in Delfzijl 24 uur per dag.

Frank in zijn draaistoel voor de televisie neemt het telefoontje aan. Bernard en Frank kennen elkaar vaag. Ze hebben samen, zegt Bernard, wel eens een lijntje gedeeld.

Na het telefoontje stapt Bernard op de fiets om vijf minuten later bij Jan en Frank op de stoep te staan.

 

Bernard vertelt – zeer gedetailleerd – wat er toen gebeurde.

’Ik belde aan, Frank deed open. Ik ging naar binnen, ging op de bank zitten. Legde mijn telefoon op tafel. Ik wilde iets regelen voor de cocaïne. Ineens roept Frank, jij gaat mij vertellen wat er is gebeurd of ik snijd je strot door. Ik zeg tegen Jan, wat is er met die man aan de hand? Ik had geen idee waar hij het over had.

Hij pakte me bij mijn jas, ik kreeg geen lucht meer. Ik zag twee angstaanjagende ogen. Hij zei, ik heb zin om jou te vermoorden. Hij zette een mes op mijn keel. Er vielen klappen. Ik dacht, hoe kom ik hier weg?

In en flits zag ik een mes op tafel liggen. Dat heb ik gepakt. In de worsteling los te komen, heb ik hem gestoken. In de arm. Ik zag dat hij in elkaar zakte, op zijn knieën, zoals je zit als je iemand verzoekt om te trouwen.

Toen ben ik weggegaan, naar een vriend. Ik voelde me niet veilig. Ik heb mijn vriendin gebeld, gezegd dat ik iemand had neergestoken en toen ben ik naar het politiebureau gegaan.’

 

Frank vertelt – zeer gedetailleerd – wat er toen gebeurde.

Ik deed de deur open en zag hem daar (dodelijke blik) staan. Het was nota bene twee uur ’s nachts. Hij wilde naar binnen, maar ik zei dat ik hem niet binnen wilde hebben. Ik zag dat hij in zijn hand een mes had. Ik vloog hem aan, want ik wilde niet neergestoken worden.

Ik dook naar zijn beide handen. Hij haalde uit en stak mij met dat mes in de arm. Ik viel, struikelde over een drempel en viel op mijn kont. Hij daar riep, ’je weet wie ik ben', en ging er vandoor.

Jan ging nog achter hem aan, maar ik riep hem terug want ik voelde dat het niet goed zat. Jan heeft toen een smerig stuk touw uit de tuin gehaald en daarmee heb ik mijn arm afgebonden. Het bloed stroomde eruit, het zat overal. Toen zijn we naar het ziekenhuis gegaan.’

 

Tja, zei de officier van justitie.

Jan zou duidelijkheid kunnen verschaffen, want die was er bij.

Maar Jan is spoorloos.

 

Op de achtergrond zou een buurmeisje een rol spelen. Die zou tijdens de Pinksterfeesten in de havenstad bij Piet’s Café zijn geslagen door een stomdronken Antilliaan.

Dacht Frank misschien dat dat Bernard is geweest?

Frank zei van niet.

 

Er is iets met een kilo softdrugs dat in de woning van Frank lag. Wilde Bernhard hem misschien beroven?

Bernard zei van niet.

 

En dan het mes. Het mes waarmee Frank is gestoken, was gekarteld.

Zegt Frank.

Het bebloede mes dat Bernard op het politiebureau had achtergelaten, was niet gekarteld.

Getuige de kleurenfoto's in het dossier.

 

Tja, zeiden ook de rechters.

’We moeten die Jan hebben.’

Via de officier van justitie gaf de rechtbank aan de politie de opdracht Jan op te sporen en af te leveren op de rechtbank.

Pas dan kan de zaak worden voortgezet.

 

Slachtoffer Frank verliet als getuige vroegtijdig de rechtszaal om ergens gereedschap aan te geven.

Bernard moet zolang wachten in het huis van bewaring in Ter Apel.

 

Rob Zijlstra

AANVULLING - Piet's Cafe - 14 september 2007

In bovenstaand verhaal wordt de naam van Piet's Cafe genoemd. Wanneer ik de indruk heb gewekt dat dit horecabedrijf iets te maken heeft boven deze zaak, dan is dat onjuist.  Er bestaat geen relatie tussen het cafe en de vermelde strafbare feiten. (r.z.)

 UPDATE - voortzetting rechtszaak - 6 december 2007

Bernard stond vandaag op nieuw terecht, want spoorloze Jan was getraceerd. Hij werd vanochtend van zijn bed gelicht en naar de rechtbank gebracht. Met Frank had hij afgesproken bij de politie niet de waarjheid te vertellen, omdat Frank niet wilde dat Bernard zou worden gepakt. Dat Bernard zich vrijwillig bij de politie meldde, hadden ze niet verwacht. En verder had hij er niets mee te maken. Zijn verklaring lijkt in het voordeel van Bernard. Het leek Jan een uitgesproken geval van zelfverdediging.

De officier van justitie eist evenwel achttien maanden celstraf, waarvan zes voorwaardelijk.

Uitspraak over twee weken.    

 

 

 

 

posted @ 12:02 AM | Feedback (14)