Bernard drinkt met vrienden een paar biertjes in een café in Delfzijl.
Elders in de havenplaats zit Frank in zijn draaistoel naar de televisie te kijken.
Een paar uur later meldt Bernard zich in paniek op het politiebureau. Hij is bang dat hij Frank zojuist heeft doodgestoken.
Het mes waarmee, heeft hij bij zich.
Er zit bloed aan.
In het ziekenhuis wordt Frank geopereerd.
Dit alles was in mei dit jaar.
Donderdagochtend zitten Bernard en Frank in zittingszaal 14 van de Groninger rechtbank.
Bernard als verdachte, het slachtoffer Frank als getuige.
De blikken die hij Bernard toewerpt, zijn dodelijk.
Hij zou graag eventjes vijf minuten met die Bernard, met hem daar, alleen willen zijn. De extra parketpolitie in de zaal staat op scherp.
Frank, 27 jaar, zegt dat hij volwaardig bouwvaker was. Dat hij sinds zijn dertiende heeft gewerkt. En nu? ’Nu ben ik een handlangertje, ik mag het gereedschap aangeven. Met mijn arm kan ik niks meer en het is maar de vraag of het ooit weer goed komt.’
Hij toont een gehavende arm aan de rechtbank.
Geëmotioneerd: ’En ik mag mijn dochtertje van anderhalf ook niet meer zien. Dat heb ik aan hem daar te danken. Mijn ex vindt het te gevaarlijk, omdat ik in een getto woon, met steek- en schietpartijen.’
Na een paar biertjes in het café belt Bernard het telefoonnummer van Jan.
Jan verkoopt cocaïne, ook al is het dan al twee uur ’s nachts. Jan’s telefoon gaat daar in Delfzijl 24 uur per dag.
Frank in zijn draaistoel voor de televisie neemt het telefoontje aan. Bernard en Frank kennen elkaar vaag. Ze hebben samen, zegt Bernard, wel eens een lijntje gedeeld.
Na het telefoontje stapt Bernard op de fiets om vijf minuten later bij Jan en Frank op de stoep te staan.
Bernard vertelt – zeer gedetailleerd – wat er toen gebeurde.
’Ik belde aan, Frank deed open. Ik ging naar binnen, ging op de bank zitten. Legde mijn telefoon op tafel. Ik wilde iets regelen voor de cocaïne. Ineens roept Frank, jij gaat mij vertellen wat er is gebeurd of ik snijd je strot door. Ik zeg tegen Jan, wat is er met die man aan de hand? Ik had geen idee waar hij het over had.
Hij pakte me bij mijn jas, ik kreeg geen lucht meer. Ik zag twee angstaanjagende ogen. Hij zei, ik heb zin om jou te vermoorden. Hij zette een mes op mijn keel. Er vielen klappen. Ik dacht, hoe kom ik hier weg?
In en flits zag ik een mes op tafel liggen. Dat heb ik gepakt. In de worsteling los te komen, heb ik hem gestoken. In de arm. Ik zag dat hij in elkaar zakte, op zijn knieën, zoals je zit als je iemand verzoekt om te trouwen.
Toen ben ik weggegaan, naar een vriend. Ik voelde me niet veilig. Ik heb mijn vriendin gebeld, gezegd dat ik iemand had neergestoken en toen ben ik naar het politiebureau gegaan.’
Frank vertelt – zeer gedetailleerd – wat er toen gebeurde.
Ik deed de deur open en zag hem daar (dodelijke blik) staan. Het was nota bene twee uur ’s nachts. Hij wilde naar binnen, maar ik zei dat ik hem niet binnen wilde hebben. Ik zag dat hij in zijn hand een mes had. Ik vloog hem aan, want ik wilde niet neergestoken worden.
Ik dook naar zijn beide handen. Hij haalde uit en stak mij met dat mes in de arm. Ik viel, struikelde over een drempel en viel op mijn kont. Hij daar riep, ’je weet wie ik ben', en ging er vandoor.
Jan ging nog achter hem aan, maar ik riep hem terug want ik voelde dat het niet goed zat. Jan heeft toen een smerig stuk touw uit de tuin gehaald en daarmee heb ik mijn arm afgebonden. Het bloed stroomde eruit, het zat overal. Toen zijn we naar het ziekenhuis gegaan.’
Tja, zei de officier van justitie.
Jan zou duidelijkheid kunnen verschaffen, want die was er bij.
Maar Jan is spoorloos.
Op de achtergrond zou een buurmeisje een rol spelen. Die zou tijdens de Pinksterfeesten in de havenstad bij Piet’s Café zijn geslagen door een stomdronken Antilliaan.
Dacht Frank misschien dat dat Bernard is geweest?
Frank zei van niet.
Er is iets met een kilo softdrugs dat in de woning van Frank lag. Wilde Bernhard hem misschien beroven?
Bernard zei van niet.
En dan het mes. Het mes waarmee Frank is gestoken, was gekarteld.
Zegt Frank.
Het bebloede mes dat Bernard op het politiebureau had achtergelaten, was niet gekarteld.
Getuige de kleurenfoto's in het dossier.
Tja, zeiden ook de rechters.
’We moeten die Jan hebben.’
Via de officier van justitie gaf de rechtbank aan de politie de opdracht Jan op te sporen en af te leveren op de rechtbank.
Pas dan kan de zaak worden voortgezet.
Slachtoffer Frank verliet als getuige vroegtijdig de rechtszaal om ergens gereedschap aan te geven.
Bernard moet zolang wachten in het huis van bewaring in Ter Apel.
Rob Zijlstra
AANVULLING - Piet's Cafe - 14 september 2007
In bovenstaand verhaal wordt de naam van Piet's Cafe genoemd. Wanneer ik de indruk heb gewekt dat dit horecabedrijf iets te maken heeft boven deze zaak, dan is dat onjuist. Er bestaat geen relatie tussen het cafe en de vermelde strafbare feiten. (r.z.)
UPDATE - voortzetting rechtszaak - 6 december 2007
Bernard stond vandaag op nieuw terecht, want spoorloze Jan was getraceerd. Hij werd vanochtend van zijn bed gelicht en naar de rechtbank gebracht. Met Frank had hij afgesproken bij de politie niet de waarjheid te vertellen, omdat Frank niet wilde dat Bernard zou worden gepakt. Dat Bernard zich vrijwillig bij de politie meldde, hadden ze niet verwacht. En verder had hij er niets mee te maken. Zijn verklaring lijkt in het voordeel van Bernard. Het leek Jan een uitgesproken geval van zelfverdediging.
De officier van justitie eist evenwel achttien maanden celstraf, waarvan zes voorwaardelijk.
Uitspraak over twee weken.