Ik zie ze zitten, naast elkaar op de stoel in de hal van de rechtbank.
Zo te zien twee gewone mensen.
Beetje nerveus, maar dat is niet heel ongewoon in de rechtbank.
Hij draagt een doodnormaal bruin jasje, zij heeft blond haar.
Ik weet waarom ze daar zitten, weet niet of zij weten dat ik dat weet.
Ik heb ineens een enorme zin om uit mijn rol te vallen.
Ik heb zin om naar die twee toe te lopen om vervolgens eerst hem een enorme dreun voor zijn lelijke harses te geven en daarna haar.
Ja, haar ook.
En als ze dan ach en wee roepen en help!, dan zal ik schreeuwen: 'Stelletje vieze vuile hufters.
Ja jij ook trut!
Dat soort dingen zal ik dan roepen.
En als er dan andere rechtbankbezoekers, bodes en parketpolitie op het tumult afkomen, zal ik roepen waarom die twee hufters daar zitten, waarom ze terecht moeten staan.
Wat ze hebben gedaan met die gore rotpoten van ze.
Dat is toch mijn vak, vertellen wat zich in de wereld afspeelt.
Ik zal tot rust worden gemaand.
Zij zullen misschien wel aangifte doen van mishandeling.
Ik zal tot rust komen, want gewelddadig zijn is niet mijn ding.
Krijg ik spijt achteraf?
Spijt dat ik voor eenmaal als beroepstoeschouwer uit mijn rol ben gevallen?
Op de krant zal ik vast en zeker op het matje moeten komen.
En wat dan nog? Het is een berisping meer dan waard.
Dat sta ik allemaal te denken als ik die twee daar zie zitten.
Ik kijk ze aan en hoop dat ze iets van mijn gewelddadige gedachten van zojuist hebben meegekregen.
Dat de zenuwen hen nog meer parten gaan spelen.
Als ze worden ontboden in zittingszaal 14 van de Groninger rechtbank, loop ik weg.
Bij de rechtbank was het verzoek binnengekomen om deze zaak achter gesloten deuren te behandelen.
De rechtbank wees dat verzoek af.
Het belang van de openbare rechtsgang woog zwaarder.
Toch zagen de rechters ook wel in dat er andere belangen op het spel stonden.
Die van kinderen.
En daarom kregen wij van de perskamer de rechter op bezoek.
Of wij geen zin hadden op dat tijdstip iets anders te gaan doen dan ons werk.
En wel daar- en daarom.
'Tjezus…'
Het was geen verzoek van de rechtbank niet te publiceren.
Ons werd iets in overweging gegeven.
Wij van de perskamer vonden dat heel correct van de rechtbank van Groningen.
Wij zijn iets anders gaan doen.
Dit alles speelde zich een tijdje geleden af.
De rechters hebben inmiddels hun werk gedaan.
De gewone vrouw moet tien maanden de gevangenis in.
De gluiperd naast haar twee jaar.
De journalist in mij zegt dat ik de waarheid – hoe smerig die ook is - geweld aan doe door te zwijgen. Het knaagt dat ik niet kan vertellen waarom de kinderbelangen in dit rotgeval zwaarder moeten wegen.
Dus verzwijg ik het verhaal van twee ouders die hun eigen kind hebben verkracht.
Ja zij, de moeder, ook.
Niet een keertje, maar jaren achtereen.
Denk aan alle ranzigheid waaraan u liever niet denkt, vermenigvuldig dat en dan heeft u misschien een idee wat ik verzwijg.
En als u dan geschrokken van uw eigen gedachten denkt, zoiets bestaat niet, zoiets komt toch niet voor hier in de buurt, dan heeft u het mis.
Rob Zijlstra
Ik zie ik zie wat jij niet ziet