
Zij staat daar maar, zonder jas buiten in de waaiende herfst, voor de ingang van het gerechtsgebouw, de armen stijf en verkrampt over elkaar geslagen.
Ze staart, met verbeten blik, recht voor zich uit.
Ze huilt van woede, haar lichaam trilt.
Dit is slechts een observatie, neergeschreven in een paar eenvoudige woorden.
Ik denk dat ze er nog erger aan toe was.
Een half uurtje eerder had ze haar slachtofferwoede en -verdriet mogen verwoorden in zittingszaal 14. Ze had aan de rechters mogen vertellen wat het heeft gedaan met haar, die vernederende verkrachting.
Ze zei: 'Het vreet me dagelijks op. Het is meer dan twee jaar geleden, maar nog steeds doet alles pijn. Alsof het iedere dag weer gebeurt. Ik zie hem steeds. Ik ben naar Nederland gekomen om veiligheid te vinden. Ik zit hier niet voor mijn plezier, ik heb andere dingen om tegen te vechten. Mijn oorlogsverleden. Ik ben 24 jaar en ik wil van mijn leven iets maken. Maar nu, sinds toen, heb ik zelfmoordgedachten.'
Ze zei dit niet zo mooi, niet in rond Nederlands, maar in gebroken, hartverscheurende zinnen.
Gebroken vrouw.
Hij, het vermeende daderbeest, zit drie meter links van haar, in het verdachtenbankje van zittingszaal 14.
Hij hoort haar ellende zo te zien onbewogen aan.
Ze hadden elkaar ontmoet in discotheek The Palace en daarna een afspraak gemaakt.
Zij zou vanuit het asielzoekerscentrum in Harlingen naar Groningen komen en hij zou haar ophalen van het station.
Hij had een groot bos bloemen meegenomen.
In De Drie Gezusters hadden ze wat gedronken, gepraat en wat gekust.
Zij moest de laatste trein halen.
Hij zei, okay.
Zij zei: 'We bellen wel.'
Toen ze zich naar de laatste trein spoedde, vergat ze de bloemen.
Zij zei dat het die avond heel anders was gegaan.
Hij zou haar die avond in De Drie Gezusters wel even naar de laatste trein brengen, maar moest onderweg iets ophalen van huis.
Zij ging met hem mee naar binnen.
Het was er een zooi, alleen op het bed was ruimte.
Daar ging ze op zitten.
Toen pakte hij haar plotseling bij armen en polsen, trok haar kleding uit en verkrachtte haar.
Daarna zette hij haar af op het station waar de laatste trein al weg was.
Ze vergat de bloemen.
Het verdachte daderbeest zou nog meer op zijn geweten hebben.
Hij zou, een paar maanden later, ook de beste vriendin van zijn vriendin hebben verkracht.
Eerst op de wasmachine, maar al ras daarna op de bank.
De beste vriendin van zijn inmiddels ex-vriendin had een brief geschreven aan de rechters waarin staat dat ze zijn enge ogen nooit zal kunnen vergeten en zich nog altijd vies voelt.
Ze gaat zich dan douchen en als dat niet helpt, stapt ze meteen weer onder de douche.
Slachtoffers kunnen rekenen op onze sympathie.
Misschien wel omdat we denken dat we eerder slachtoffer worden, dan dader.
Met slachtoffers verklaren we ons solidair.
Slachtoffers liegen ook niet.
Waarom weet ik niet, zegt de advocaat van het vermeende daderbeest, maar de slachtoffers liegen.
Met haar uit Harlingen had hij wel gekust, maar nooit seks gehad.
Met de beste vriendin van zijn vriendin regelmatig wel, zo'n vier keer per week, maar altijd heimelijk en wederzijds. Dat mocht hun gezamenlijke vriendin niet weten.
De aangiftes zijn raar, zei de advocaat.
Zij uit Harlingen doet pas na acht maanden aangifte, de beste vriendin na vijftien maanden.
Tijdens de zogenaamde verkrachting van haar uit Harlingen gaat haar telefoon.
Hij zou gezegd hebben, neem maar op.
De advocaat: welke verkrachter doet dat nou?
Na de laatste gemiste trein zocht zij onderdak bij een vage kennis in Groningen met wie zij die nacht seks heeft. Wie nou heeft seks met een vage kennis, kort na te zijn verkracht?
De beste vriendin had seks met meerdere mannen en ging op de avond na de beweerde verkrachting gewoon met haar beste vriendin, zijn partner, zonder boe of bah op stap.
Zij uit Harlingen had zijn lichaam beschreven.
Hij was, ter confrontatie, op het politiebureau in de blote kont gefotografeerd.
Zij verklaarde: 'Nee, hij had geen schaamhaar.'
De advocaat: 'Hij had wel schaamhaar en bovendien zit hij onder de tatoeages. En daarover repte zij uit Harlingen met geen woord.'
De officier van justitie mag het zeggen.
Hij zegt dat de Hoge Raad in zedenzaken een aangifte plus minimaal steunbewijs accepteert als voldoende bewijs voor een veroordeling.
De officier van justitie had het dossier van voor naar achter gelezen en toen nog een keer.
Hij treft het minimale steunbewijs niet aan.
Hij zegt dat een vrouw die aangifte doet van verkrachting moet kunnen rekenen op de bescherming van het openbaar ministerie.
Maar een verdachte ook.
De officier van justitie eist twee keer vrijspraak.
De rechtbank moet binnen 14 dagen wijs beslissen.
Zoiets gun je een lekenrechter niet.
Rob Zijlstra
UPDATE - uitspraak 15 november 2006
Twee keer vrijspraak.