Ik ben geen jurist, maar volgens mijn bescheiden mening ging er dinsdag in zittingszaal 14 van de rechtbank van Groningen iets goed mis.
Ik bedacht dat achteraf.
Onderstaande is ook meer voor de liefhebber en niet voor hen die op voorhand al meningen hebben.
Het betreft Hendrik.
Voor het verslag van zijn proces verwijs ik naar de Stevige drinkers, de vorige blog.
Hendrik kwam dus met Bert en Alex de zittingszaal binnenstuiteren.
Gedrieën stonden ze voor het hekje.
Een strafrechtszaak begint met een aantal vaste elementen, door de wet zo geregeld.
De verdachte(n) wordt/worden door parketpolitiemannen en/of –vrouwen binnengeleid.
De gerechtsdeurwaarder roept de zaak uit door te roepen wie er voor het hekje staat en wie, indien aanwezig, de bijbehorende raadsman/vrouw is.
De rechtbank checkt vervolgens of de verdachte wel is wie hij is, waar hij woont dan wel in welk huis van bewaring hij momenteel verblijft.
Vervolgens krijgt de officier van justitie het woord om aan te geven waarom – waarvoor - de verdachte terechtstaat.
Daarna moet de rechtbank de verdachte er op wijzen dat hij goed moet luisteren (of opletten) en niet verplicht is antwoord te geven op vragen die worden gesteld. Sommige rechters voegen daar vrijelijk aan toe: ‘Maar dat mag natuurlijk wel.’
Daarna mag de verdachte gaan zitten, naast zijn advocaat.
In Maastricht is dit niet anders.
Wanneer drie verdachten gelijktijdig terechtstaan, geeft dat altijd wat geharrewar.
Helemaal als er die stevige drinkers lawaaiig voor het hekje staan.
Alex en Bert weten waar ze aan toe zijn.
Ze zitten al sinds april vast.
En ze hebben beide een advocaat.
Maar warrige Hendrik heeft geen benul.
Hij zegt niet te weten waarom hij er is.
Nee, een dagvaarding heeft hij niet gekregen.
Hij zit vast voor iets anders. Ten onrechte, beweert hij.
Hij heeft geen advocaat.
Dat wil zeggen, die heeft hij wel, maar die is er niet.
Een en ander leidt tot enig heen-en-weer-gepraat tussen rechter en warrige Hendrik.
Rechter zegt, maar u was er toch bij, samen met Alex en Bert.
Dat was een vraag.
De rechter had tot dan toe verzuimd Hendrik er op te wijzen dat hij niet verplicht is antwoord te geven.
Maar Hendrik zei: ‘Ja, ik was er bij.’
De rechter leek te denken: Nou dan!
Daarop overhandigde zij aan Hendrik alsnog een dagvaarding.
Nu kun je denken: wat nou?
Nou het strafrecht dient – in ieders belang - onkreukbaar te zijn.
Met mijn bescheiden mening blader ik, luxe zittend in de tuin met prachtige avondzon, maar nog nadenkend over Hendrik, door Strafrecht met mate, een inleiding voor niet juristen op het Nederlands strafrecht en strafprocesrecht.
En kijk nou, op bladzijde 231.
Daar staat dat het belang van rechtsbijstand zo groot wordt geacht dat de onverklaarbare afwezigheid van een raadman ter zitting de rechter verplicht uit te zoeken of die raadsman wel van dag en tijdstip op de hoogte is van de behandeling van de zaak.
Dat deed geen van de drie rechters.
Verderop lees ik dat de dagvaarding – een oproeping van de verdachte door het openbaar ministerie op een bepaald moment te verschijnen – tien dagen voor de zitting in persoon moet worden uitgereikt.
In het geval Hendrik betrof het tien seconden.
Bladzijden verder staat dat bij verzuim van de voorschriften ‘die zo belangrijk worden geacht’ de rechter op eigen initiatief zelf ‘de sanctie van nietigheid’ verbindt aan dat verzuim.
Nietigheid leidt tot vrijspraak.
Rob Zijlstra
Update - uitspraak 1 augustus 2006
Niet dus. Hendrik heeft tien maanden gekregen. Toen hij na het aanhoren van het vonnis de zittingszaal verliet, zei hij: 'Jammer dan.'