Je bent het zomaar ineens.
Zonder zinvolle reden.
Het begint, zo stel ik mij dat voor, met de bel.
Voor de deur staan twee politiemensen.
Je schrikt toch.
Of wij even binnen mogen komen?
Nee, geen ernstig verkeersongeluk.
Er niet omheen draaien, maar direct vertellen wat er aan de hand is, luidt de eerste regel van het slechtnieuwsgesprek.
Nee, geen ongeluk, maar uw zoon, dochter, broer, zus, partner is wel dood.
Doodgeschopt. Gestoken. Tachtig keer. Hoe dan ook, vermoord, wij bedoelen, er is sprake van een onnatuurlijke dood.
Uiteraard doen wij onze uiterste best de dader zo snel mogelijk te pakken.
Is er iemand die wij moeten bellen?
Je bent al nabestaande op een moment dat je er nog geen weet van hebt.
De volgende dag is je familienaam nieuws.
Een halve dag op Teletext. In de krant staat een chronologisch overzicht van eerdere zinloze gevallen van de afgelopen tien jaar.
Meindert Tjoelker,
Anne de Ruijter de Wildt,
Gonda Drenth,
Tjirk van Wijk,
Marianne Vaatstra,
Heel veel anderen.
Zondagmiddag, Stadspark.
De lentezon veraangenaamt het jeu de boules-spel dat buiten, naast het Stadsparkpaviljoen in Groningen, wordt gespeeld. Ik kijk er een tijdje naar. Sstel vast dat het gegooi met die ballen de deelnemers zo op het eerste gezicht weinig pleziert. Zo ernstig spelen ze hun vluchtige spel.
Binnen, in de koepel van het paviljoen, is een lotgenotenbijeenkomst van de Vereniging voor Veiligheid, Respect en Solidariteit, VVRS.
Het noodlot van moord heeft hen deze middag ongewild bijeengebracht.
Nee, er heerst geen grafstemming, zoals je met zoveel verdriet in één ruimte bijeen, zou kunnen verwachten.
Er wordt ook wel eens gelachen.
Deze zondagmiddag overigens niet zo veel.
De sfeer is eerder strijdbaar.
Want als de nabestaanden naast verdriet nog iets gemeen hebben, is het wel frustratie.
Over de politie en over de rechtsgang meer in het algemeen en over justitie, met name over justitie.
Over officieren van justitie die vanuit hun ivoren torens arrogant zitten te wezen.
De arrogantie waar wij bij justitie tegen aan zijn gelopen, zorgt voor veel onnodig leed, zegt Lena, de zus van Tjirk van Wijk die zomaar in zijn woning werd afgeslacht door een tbs’ er. Lena en haar familie moesten vijf jaar knokken om als nabestaanden te worden erkend.
Als nabestaanden, als slachtoffers, worden we behandeld als daders, zegt de vader van Meindert Tjoelker. Meindert verwerd tot nationaal symbool tegen zinloos geweld. Maar vader Tjoelker is negen jaar na dato nog altijd verbitterd. Het enige waar die officieren me bezig zijn, zegt hij, is hun eigen promotie.
Ik heb drie keer een verzoek moeten indienen bij justitie alleen om een gesprek te kunnen hebben met de officier van justitie die het onderzoek leidde, zegt Bouke Vaatstra. ‘Ik heb zoveel vragen, maar geen antwoorden. Zeven jaar zijn we nu bezig om een gedegen onderzoek te krijgen. Niks.’ De Vaatstra’s zeggen al het vertrouwen in justitie te zijn kwijtgeraakt. Ze zijn nu zelf en wanhopig op zoek naar de dader van de moord op hun dochter Marianne.
De lotgenoten hebben de gewezen medewerker van het cold case team van de regiopolitie Groningen Harrie Timmerman als gast uitgenodigd. Timmerman luidde klokken in de Schiedammer Parkmoord en kreeg in ruil stank voor dank. Timmerman geeft een weinig opbeurende bloemlezing over de werkwijze van het Nederlands Forensisch Instituut. Dit NFI speelt een cruciale rol in alle moordzaken. Volgens Timmerman is die rol te vaak kwalijk en bedenkelijk.
‘Al tienduizenden jaren komt ’s ochtends de zon op. Maar als je aan het NFI vraagt of dat morgen ook weer het geval zal zijn, dan zegt het NFI: dat durven we niet met zekerheid te zeggen.’
Het NFI is te voorzichtig.
Het NFI heeft het te druk.
Het NFI ontbeert kwaliteit.
En daardoor lopen er in Nederland moordenaars op vrije voeten.
Aldus Timmerman.
Zijn verhaal doet het vertrouwen in het justitieapparaat onder de lotgenoten in het paviljoen alles behalve toenemen.
Officieren van justitie?
Ik hoor vader Tjoelker zeggen: ‘Apen. Apen zijn het.’
Rob Zijlstra