Posted on Thursday, January 05, 2006 8:44 PM
Ze hadden het vooraf goed doorgesproken, de advocaat en Fernand.
De advocaat zou hem ter zitting vragen of hij, eenmaal op vrije voeten, zou willen meewerken aan verplicht toezicht door de reclassering.
Fernand zou dan zo overtuigend als mogelijk ja zeggen.
Ja, graag. Dat zou goed voor mij zijn.
Dat was de afspraak.
De rechters zouden dan zelf kunnen horen dat hij van goede wil is en dat kan niet ongunstig zijn voor de nog op te leggen straf.
De vraag kwam, maar Fernand, tamelijk temperamentvol, was zo bezig om alles waarvan hij werd beschuldigd te ontkennen, dat hij nee zei. En tot schrik van de advocaat ging hij dat ook nog eens uitvoerig toelichten. 'Ik ben een man die zijn eigen boontjes dopt. Niemand moet zeggen wat ik moet doen. Daar kan ik niet tegen. Zo ben ik.'
De officier van justitie beweert dat Fernand een cocaïnedealer is.
Geen grote, maar toch.
In het milieu in Winschoten kennen ze hem allemaal.
In het strafdossier zaten de belastende verklaringen van zijn afnemers.
De politie had hem ook een tijdje 'in observatie' gehad.
Toen wisten ze genoeg.
Fernand zegt dat hij cocaïnegebruiker is.
Geen dealer.
Nou ja, hij had wel eens een bolletje aan een vriend verkocht, maar dat ding is geen dealen.
Dat ding is hosselen, zei hij.
Hoe hij, zonder werk, aan het geld kwam om de cocaïne te kopen, vroeg een rechter.
Hij beweerde dat zijn vader een grote prijs had gewonnen in de lotto en hem wekelijks liet delen in de pret.
Toen hij zich ook nog eens versprak ('ik ben een drugsdealer…, oh, wat zeg ik nou, ik bedoel gebruiker…') kon je de rechters bijna horen denken: een inkoppertje.
Het strafvoorstel van de officier van justitie: twaalf maanden cel waarvan vier voorwaardelijk.
Uitspraak over twee weken.
Rob Zijlstra