Thursday, October 13, 2005

De officier van justitie had het voortdurend over het 'keukentje van het kappersbedrijf'.

Dat is niet de titel van een romannetje.

In het keukentje van het kappersbedrijf gebeurde het.

Tussen 1999 en 2004, ten noorden van de stad Groningen.

Vier jonge vrouwen, stagiaires van de kappersschool, werden er seksueel misbruikt.

In het keukentje werden ze onzedelijk aangesproken, overal betast, ongewild getongzoend en een keertje verkracht.

 

Door de kapper.

 

Gisteren werd hij geschoren.

 

Het openbaar ministerie zei:

De kapper in kwestie is een gerenommeerd kapper.

Deze kapper verstaat zijn vak als geen ander.

De kapper zijn zaken staan zeer hoog aangeschreven.

Deze  kapper is een crack in de kapperswereld.

De meiden van de kappersschool in Groningen vonden het een grote eer om voor deze kapper te mogen werken.

 

En vooral juist daarom, vervolgde de officier van justitie (vrij vertaald) zijn betoog, had hij met die gore knippoten van 'm van die meiden moeten afblijven.

 

De kapper ontkent.

 

Hij had advocaat Hans Anker meegenomen om dat te onderstrepen.

Anker wil dat de kapper wordt vrijgesproken.

Het bewijs deugt niet.

Het openbaar ministerie baseert de aantijgingen op de aangiftes van de vier vrouwen.

Anker: de ene verklaring vindt steun in de andere verklaring, redeneert het openbaar ministerie. Schakelbewijs. Maar zo werkt het niet. Het wordt heel griezelig in dit land wanneer iemand op die basis kan worden veroordeeld.

 

De kapper knikte.

Dat had de advocaat mooi gezegd.

En dat moest ook wel, want de kapper hangt niet niks boven het hoofd.

 

De officier van justitie vindt dat de vier vrouwen recht hebben op in totaal 23.000 euro bij wijze van schadevergoeding.

De kapper moet dat betalen.

De officier van justitie zei daarna dat hij op grond van richtlijnen vier keer tien, dus veertig maanden gevangenisstraf, had kunnen eisen.

Hij deed dat niet.

Hij deed: 24 maanden waarvan zes voorwaardelijk.

Maar wel met een bonus die bijzonder mag heten: de kapper mag gedurende vijf jaren zijn vak niet uitoefenen in kapperszaken waar personeel werkt dat vrouw is en jonger dan 25 jaar.

 

De rechtbank doet over twee weken de uitspraak.

 

Rob Zijlstra

posted @ 8:40 PM | Feedback (34)

Ik ben gek op recepties.

 

Voor een verslaggever is een receptie een prettig verplicht nummer.

Recepties zijn de wandelgangen, de catacomben, waar het echte nieuws rond waart.

Waar je, happend in pinda’s, informeel nog wel eens wat hoort dat niet hoort.

Onder de noemer: “Maar je hebt het niet van mij.”

Journalist zegt dan: “Tuurlijk niet.”

 

Op de receptie stel ik vast dat de officier van justitie over wie ik nog niet zo lang geleden iets lelijks schreef, mij nog steeds geen blik waardig gunt.

Zegt genoeg: ik zat er toen niet ver naast.

 

Het kan ook andersom.

Is die lelijke officier ineens heel aardig en wordt interesse geveinsd.

“Leuke weblog heb je.”

 

Moh.

 

Er waren advocaten op die receptie aanwezig die er ook wat van kunnen.

Eentje trok mijn aandacht en keek heel diep in mijn ogen.

Vroeg zwoel: “Kun je niet een keertje een stuk in de krant schrijven over een strafzaak die ik doe?”

En of ik, want daar ging het om en gaat het over, of ik dan vooral de naam van hem/haar wil vermelden in de krant?

 

Ik zeg: “Gaat het slecht met de praktijk? Of zo?”

Hij/zij: "Moh, ik kan wel wat klanten gebruiken, ja. Een mooi stuk in de krant helpt altijd."

 

Ik maak me los van die ogen.

 

Denk: “Oneerbaar voorstel.”

Zeg: “Wat een rare vraag.”

Hij/zij: “Joh, doe niet zo schijnheilig.”

Ik: “Hoezo?”

Hij/zij: “Zo werkt het. Toch?”

Denk: “Nee.”

Vrees: “Van wel.”

 

Schrijvend vraag ik mij af waarom ik niet gewoon de naam van deze hij/zij-advocaat noem?

Omdat het zo niet werkt?

 

Rob Zijlstra

posted @ 1:40 AM | Feedback (32)