Wie hem ziet en vooral hoort, raakt niet vrolijk gestemd.
Onderuitgezakt luistert hij naar de lelijke dingen die in zittingszaal 14 van de rechtbank van Groningen over en tegen hem worden gezegd.
De vingers van zijn rechterhand kneden voortdurend de kin.
En anders beweegt de linkervoet wel onophoudelijk op en neer.
Hij praat alsof er zojuist een complete wietkwekerij in zijn bovenkamer is geoogst.
Net 19, stoer, maar met een kindergezicht nog.
Te groot voor de autootjes, maar te klein voor de volwassen wereld.
Hij irriteert de rechters.
“Je zit daar maar met die grijns op je gezicht. Is het grappig of zo?”
“Neeuh.”
JéPé heeft met fors geweld een plaatsgenoot beroofd. De bedoeling was hem van zijn wiet te beroven, niet van zijn portemonnee. Dat had hij zo met zijn vriend afgesproken. Het werden wiet en portemonnee. Maar de bedoeling was dat niet.
In een fietstunneltje had hij, met anderen, lampen stukgegooid. Dat was ook niet de bedoeling, maar meer uit de hand gelopen. “We waren dronken.”
Soms gooide hij, met weer anderen, voor de lol stenen naar voorbij rijdende treinen.
Dat werd dan opgenomen met een videocamera.
Voor de dubbele pret.
Rechter: “Jullie zijn elkaar gewoon aan het opnaaien geweest. Heb jij dingen gedaan omdat de camera draaide?”
“Neeuh. Ik niet. Anderen.”
JéPé werd ook nog geconfronteerd met een oud feit, uit 2003. Zestien was hij toen. Met een groot mes was hij de winkel binnengestapt en had geld geëist. “Ik moest geld hebben en dat was de enige manier. Anders had ik een groot probleem. Ik moest een schuld afbetalen aan een dealer. Als je in zo’n situatie zit, doe je gekke dingen.”
Rechter: “Heb je toen ook aan die mevrouw gedacht, in die winkel?”
JéPé: “Jaaah… Dat ‘t kut voor haar was.”
Rechter: “Vervelend.”
JéPé: “Jaaah… Maar ik had op de pof wiet gekocht. En ze zaten de godganse dag aan mijn kop te zeuren. Dat ik moest betalen. Dus…”
De rechter vroeg of het klopte, zoals in het dossier stond, dat hij en zijn vrienden zichzelf de Delfzijl North Professional Gangsters noemen?
Neuh, dat was het niet. Dat was eens een grapje geweest.
“Delfzijl heeft geen gangsters. Wij zijn een vriendenclub. En verder geef ik daar geen commentaar op.”
Rechter: “Geen commentaar? Leg eens uit.”
“Nou, Delfzijl is saai.
Je gaat je vervelen.
Dan ga je drinken en blowen.
En dan ga je domme dingen doen.
We drinken om leip te worden.
Als wij nuchter zijn, is het helemaal niks daar in Delfzijl.”
Rechters wisten genoeg.
De officier van justitie had bijna een uur met afschuw (dat wil zeggen, met voortdurend fronsende wenkbrauwen) geluisterd.
Stelde vast: “Ernstig gestoord normbesef.”
Zei: “Ik kom maar weinig verdachten tegen die zo weinig inzicht in zichzelf hebben. Hij snapt er helemaal niks van. Ik zie geen enkele motivatie en vrees het ergste.”
Eis: twee jaar gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Dat is inclusief zes maanden voor de overval op de winkel, gepleegd toen JéPé nog minderjarig was. Dat misdrijf mag van de officier volgens het strafrecht voor meerderjarigen worden bestraft.
Zijn advocaat pleitte voor een leerstraf.
“Als we er nog wat van willen maken, dan moeten we er nu bij zijn.”
JéPé mocht nog zeggen dat hij het nu, nu hij in de gevangenis al een tijdje had kunnen nadenken, het best wel kloten vond, allemaal.
Maar zijn wettelijk gegunde laatste woord - “heb wel spijt” – zonk weg in de plas onverschilligheid die gaande het proces onder zijn stoel steeds groter was geworden.
Een toehoorder van de zitting zei na afloop: “Zo’n gastje moet je hé-lé-maal afbreken, en daarna opnieuw opbouwen.”
Over twee weken is de uitspraak.
JéPé zal het wel kloten vinden.
Rob Zijlstra