Wednesday, May 11, 2005

Juridische taal is om uiteenlopende redenen onnavolgbaar en/of zo omslachtig dat je wel eens denkt, kan dat niet ietsje anders? Een vuurwapen is nooit een vuurwapen alleen. Het is een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp.

Een misdrijf wordt zelden gepleegd op de Grote Markt in Groningen, ook al hebben de camera’s de steekpartij er onomwonden geregistreerd. Het is op de Grote Markt, althans in de gemeente Groningen, althans in Nederland.

Wie de boel heeft besodemieterd, heeft zich vaak ook schuldig gemaakt aan listige kunstgrepen en/of aan een samenweefsel van verdichtsels.

En wie een pak melk steelt bij de Albert Heijn, jat niet zomaar een pak melk bij de Appie, maar eigent zich wederrechtelijk iets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf Albert Heijn, toe. En dat komt vaker voor dan u weten wilt.

 

Juridische taal wil niets aan het toeval overlaten.

Maar voor taalvernieuwing moet je niet in de rechtbank en/of bij juristen zijn.

 

Toch speelt taal onmiskenbaar een belangrijke rol in de rechtszaal.

Om zich een goed oordeel te kunnen vormen, wil de rechter in contact komen met een verdachte. Het enige wapen dat hij en of zij daartoe heeft, is taal.

Lang niet alle rechters beheersen de taal van de straat.

Verdachten daarentegen des te meer.

Dat kan botsen

 

Klassiek is het voorbeeld van de verdachte die werd verweten dat hij wederrechterlijk haar lichaam was binnengedrongen. Hij ontkende het met kracht, ondanks het lijvige dossier vol bewijs. Nee, hij had haar geneukt, dat wel en niet meer en niet minder.

Mi ttei a sma.

Of dit een voorbeeld uit de praktijk is of juridische humor, weet ik niet.

 

Wel echt is de navolgende conversatie, in de rechtbank van Groningen:

Rechter tegen Antilliaanse bolletjeslikker: “Hoe denkt u eigenlijk over drugs?”

Antilliaanse bolletjesslikker mompelt: “Fucked up.”

Rechter, verongelijkt: “Pardon?”

Slikker, luid en duidelijk nu: “Fucked up!”

Rechter in verwarring, kijkt om zich heen.

Hij bedoelde het toch goed?

De tolk redt: “Hij zegt dat hij het slecht vindt.”

Opgeluchte rechter: “Oh.”

 

De taal van de straat bestaat niet alleen uit woorden -  woorden zijn gratis - maar vooral ook uit de manier waarop die woorden worden uitgesproken.

 

En daar wil ik met dit verhaaltje naar toe.

Steeds vaker kom ik jeugdige verdachten tegen, zij die zijn geboren en getogen in Groningen en omstreken, bakra’s dus, die zich een taal hebben aangemeten alsof ze nog hedenochtend Willemstad of Paramaribo vaarwel hebben gezegd.

 

Ik zeg je…

Je weet toch…

Ik ga je het niet kunnen vertellen toch…

Ik wist waar haar huis woonde…

 

Nieuwe tongen.

Op scholen kennen ze dit typisch autochtone fenomeen vast en zeker al langer.

In  koffieshops zeker.

Ik vind het een strak vette vorm van integratie.

Maar is er ook iemand die het mij kan uitleggen?

 

Wo miti. Tan bun.

 

Rob Zijlstra

 

posted @ 2:35 AM | Feedback (62)