Gisteravond teruggekomen van een wintertochtje op de Duitse Wadden. Dat was nog eens wat anders dan ploegen daar de Schotse sneeuw (vorige keer) of glibberen door de Elzas en Vogezen (daar weer voor). Geen wolk gezien. Volgens een thermometer was het 21 graden, maar die overdreef.
Leuke eilanden, niet minder dan de Nederlandse, maar wel anders. Beetje stadser en statiger. En de hotels heten vaak niet hotel, maar kliniek. Hierdoor konden de Duitsers vroeger op kosten van de ziekteverzekering lekker op vakantie gaan. Of gratis in de bierkliniek, de patatkliniek of de vrouwenkliniek rondhangen. Eigenlijk geen wonder dat een arts als Dr. Oetker in dat klimaat daarom meer zag in het bakken van pizza's dan het behandelen van likdoorns.
Veel te doen was er nu niet, behalve een kilometer of tien heen en weer rijden. Daarom vooral op het zand en in cafeetjes neergeploft en maar kletsen. Over wat je nou eigenlijk moet doen in het leven: hard werken of als een zeehond op het strand liggen. Bij voorkeur het laatste, vonden we. Maar dat is typisch van dat Wadden-geouwehoer: dat je steeds tegen elkaar zegt dat je even helemaal los bent van de heksenketel van het vasteland. Dat hoort zo, tussen de paniektelefoontjes uit Den Haag door.
Maar mooie eilanden wel, vooral Norderney met zijn woeste duinen. Mijn vader, een fan van Texel, zei altijd dat de Duitse Waddeneilanden waardeloos waren, want anders zouden er niet zoveel Duitsers op Texel komen. Een aardig theorietje wel, maar eigenlijk niets van waar.