Posted on Saturday, April 22, 2006 11:25 AM
Ik had dit jaar nog geen goede daad verricht, dus toen een moeder met het verzoek kwam een motorrit te maken met haar zieke zoon Daantje, zei ik zonder aarzelen: ‘Ik weet wel iemand!’
‘Kun je zelf niet dan?’ vroeg ze.
‘Eh – kuch - maar natuurlijk,’ zei ik. Wat is er tenslotte mooier dan de glimlach van een kind? Dat doet je beseffen dat je leeft, nietwaar. De glimlach van een kind dat nog… wacht eens even...
‘Hoe ziek is hij eigenlijk?’ vroeg ik voor de zekerheid.
De moeder somde een lange lijst van ongemakken en gebreken op. Als Daantje een motor was geweest, zou je hem een maandagmorgenexemplaar noemen. Uiteindelijk zou het allemaal wel weer goed komen met hem, hadden de artsen gezegd. Maar nu was hij zielig genoeg om een flink eisenpakket op tafel te leggen. Hij had al een zanger op bezoek gehad en een tocht met een speedboot gemaakt. Deze week was de motorfiets aan de beurt.
‘Ik heb het alleen een beetje druk,’ zei ik. ‘Is het goed als ik volgende maand langskom?’
‘Liever eerder,’ zei de moeder. ‘Daantje kan niet goed tegen wachten.’
Twee dagen later stond ik met mijn dikke all-road en een geleend jasje en helm voor een vrijstaand huis in een keurige buurt. In de deuropening wachtten Daantje en zijn moeder me al op. Het twaalfjarige kereltje was zo bleek dat hij bijna doorzichtig was. Er liep een slangetje uit zijn neus, er zat een infuus in zijn arm, onder zijn shirt bevond zich een hoekig kastje en zijn rechterhand was in gips gehuld. Er hingen nog meer accessoires aan hem dan aan een Honda Goldwing.
‘Dag Daantje,’ zei ik.
‘Ongezien de tyfus’, zei Daantje met onverwacht zware stem.
‘Daantje! Niet zo onaardig tegen die meneer!’ riep zijn moeder uit. ‘Waar halen ze het tegenwoordig vandaan, hè.’
‘Alles voor het goede doel,’ zei ik goeiig. ‘Laten we maar fijn een stukje gaan rijden.’
‘Mooi niet,’ zei Daantje. ‘Ik ga niet op die kutmotor.’
Het bleek dat Daantje op een Harley had gerekend. En niet op dat ‘stomme plastic ding’ van mij.
‘Maar Harley is voor getatoeëerde vetpensen,’ probeerde ik ter ontmoediging.
‘Nou, dat ben je toch ook?’ zei hij.
‘Nietwaar,’ zei ik knarsetandend. ‘Dat zijn slechts geruchten.’
Na twee Danoontjes en een nieuwe belofte (Disneyland) van zijn moeder leek Daantje alsnog eieren voor zijn geld te kiezen. Hij trok het ‘stomme’ jasje aan, zette de ‘achterlijke’ helm op en liep morrend mee naar buiten. Daar besloot hij dat hij niet achterop wilde zitten.
‘Ik wil zelf rijden,’ riep hij.
‘Geen sprake van,’ zei ik.
‘Oh nee?’ zei Daantje en hij sloeg met zijn gipshand een kras in mijn tank.
Even overwoog ik het zieke kereltje een opdonder te geven. Maar dat levert negatieve krantenkoppen op, bedacht ik net op tijd. Ik vreesde bovendien dat er dan misschien een armpje of zo van Daan zou afvallen. Ik ben dus maar onverrichter zake naar huis gegaan.
Als ik nog eens een motorrit voor het Goede Doel maak, zet ik wel een zeehond achterop of een pandabeer. Maar een kind hoeft van mij voorlopig niet.
Jan Dirk Onrust