
Ik had bezoek van mijn bovenschools ICT-er.
Hij bezoekt alle scholen en vraagt naar knelpunten en dingen die goed gaan, een visitatie.
Hij vroeg geen cijfers, het was een gesprek uit interesse. Maar toch ...
"We zullen meer output-gericht moeten worden" zei hij somber.
Een juf doet alles met de uitkomst in gedachten, vind ik, dus ik wachtte op verheldering.
"Cito en testen en alles in cijfers kunnen bewijzen," knikte hij, "alle aandacht naar taal, lezen, rekenen."
Jaren geleden stimuleerde ons bestuur een leerling-centrale aanpak van leren, meer spelen, minder toetsen.
Nu gaat het de andere kant in: leerstof-centraal, niet spelen maar toetsen, harde cijfers, wetenschappelijke aanpak.
De ene visie gaat voorbij aan de leerlingen bij wie motivatie en interesse niet komen aanwaaien,
de andere mist alle belangrijke onderdelen van basisonderwijs die je niet kunt toetsen:
de groeiende interesse in en interactie met de wereld, ontdekken van je talenten.
School is voor een deel vaardigheden aanleren en dingen onthouden.
Maar voor een ander deel is het een goed gesprek.
Dat deel kun je niet meten, zegt
Tomaz Lasic.
Als je dat wilt omzetten in cijfers ga je voorbij aan de diversiteit van kinderen en de complexiteit van onderwijs.
Als een juf je weinig kan vertellen over de opbrengst van haar manier van werken, over de harde cijfers,
is dat omdat er nog weinig wetenschappelijk vaststaat.
Bedroevend weinig succesverhalen kun je met evenveel succes overplanten van de ene juf op de andere.
Ik denk dat dat komt omdat het deel van 'het goede gesprek' groter is dan Cito je ooit wil laten geloven.
Onderwijs-wetenschap staat, heel toepasselijk, nog in de kinderschoenen.