
Ik probeer me voor te stellen hoe
connectivisme eruit ziet in het basisonderwijs.
Connectivisme is een leertheorie die zegt dat leren veranderd is.
Niet alleen zijn de lerenden kritischer, maar ze hebben ook de beschikking over hardware om mee te leren. Bovendien is de maatschappij veranderd: informatie verandert sneller en is gemakkelijker bereikbaar.
Daarom is er nu connectivisme:
Iemand die leert, probeert stukjes informatie met elkaar te verbinden om zo tot een betekenisvol geheel te komen. Het leren zit 'm in de verbindingen die je maakt.
Op dit moment werken sommige basisscholen met mindmaps. Met een mindmap kun je relaties tussen stukjes kennis aangeven. Het moeilijke is, dat de leerlingen de teksten zelf in stukjes moeten hakken, terwijl ze dat pas in groep 8 leren.
Samenvatten in groep 8 is een karwei.
Het lijkt erop dat
Learning Objects het antwoord op dit probleem zouden kunnen zijn.
Het idee van learning objects (informatiebouwstenen) is dat je een leergebied in hapklare brokjes hakt.
Tijdens het leren gaan de informatiezoekers de informatie weer inelkaar zetten. Dat mag volgens een bouwtekening van de juf, maar ook naar eigen inzicht.
Zoiets als Lego dus.
En hier loop ik vast: Bij een bouwtekening geef je knooppunten en uitlopers. Niet alleen de puzzelstukjes, maar ook de bovenkant van de doos. Dat is geen connectivisme meer.
En de juf vraagt: hoe ziet het proefwerk eruit als je freestyle hebt geleerd?
Basisschoolleerlingen zijn nog niet uitgeleerd zijn met tastbare legoblokjes.
En de juffen denken in hele puzzels, en niet in het puzzelen zelf.
(plaatje van wackystacker.com)