Sunday, January 06, 2008

Hèhè, daar zijn we weer. Wegens omstandigheden viel het seizoen na de Waalse Pijl in het water, maar sinds een paar weken is het carbonnen ros weer van stal gehaald. Vandaag zijn er zelfs door een select gezelschap (met name de veteranen tak van DBA) alweer 60 hele kilometers achter elkaar gereden.

Hieronder zijn de verslagen van Sjoerd en Carlo te lezen, zoals beloofd. Sjoerd is nog aan het bijkomen van verbazing over zoveel fietsbelangstelling een week of wat geleden, en Carlo viert nog steeds zijn 1ste plaats in het Brabandersklassement van de Prato - Abetone.

Als het goed is vanaf nu weer regelmatige updates, waarbij ik wat hulp van de leden zeker kan gebruiken.

 

posted @ 11:26 PM | Feedback (0)

Zonder enige verwachting stuurde ik halverwege de week een mailtje rond met de vraag of er interesse was om zondag gezamenlijk wat kilometers te maken. Tot mijn eigen verbazing bleven de aanmeldingen binnenstromen. Na wat last-minute verschuivingen meldden zich uiteindelijk in het clubhuis: de beheerder van het clubhuis, Ruud (!!!) en zijn buurman, Carlo en Chrisjan en ondergetekende. Gijs had de avond ervoor late dienst en ontbrak, evenals Rini en Maarten.

 

Het weerbericht: koud, droog en zonnig dus niets stond een succesvolle wintertraining in de weg.

 

Na enige aarzeling verlieten we de warmte van Eric's woning en bestegen wij onze -in sommige gevallen al maanden niet meer gebruikte- fietsen. Het bleek vooral een ochtend van weinig snelheid en veel ouwehoeren. De route voerde van Oss naar Macharen, om vervolgens via Megen en Ravenstein de doorsteek naar Grave te maken. Met de brug in zicht, werden de benen moe en we raakten op de smalle paden al delen van het peloton kwijt.

 

Na de brug van Grave draaiden we Gelderland in, wat voor Beer zoals zo vaak het startsein was voor zijn lofzang op de door hem zo geliefde provincie. Na enkele kilometers was het tijd voor koffie en taart, bij Hoogeerd. Daarna volgde nog enkele kilometers naar huis, en die bleken fataal voor Chrisjan. Carlo en hij besloten daarom Berghem te laten voor wat het was, en sloegen kordaat linksaf richting Heesch. Niet veel later koos ook Beer voor de kortste weg naar huis. Nadat ik Ruud en zijn buurman had achtergelaten in de Vogelwijk was het tijd om mijzelf te trakteren op een weldadige warme douche.

posted @ 10:19 PM | Feedback (0)

Carlo in de Gran Fondo Prato-Abetone

 

Na het twee jaar op een rij missen van de Trois Ballons (inderdaad, een schande) zat ik op een regenachtige zondagmiddag het internet te struinen op zoek naar een uitdaging voor in de zomermaanden. Het vizier werd meer in het bijzonder gericht op de regio Toscane, alwaar de familie Van Nistelrooy de eerste twee Juliweken door zou brengen. Na urenlang gesurft te hebben - Italianen hebben de gewoonte het Italiaans als wereldtaal te beschouwen en ‘vergeten’ daarom consequent informatie in het buitenlands te geven, later hier meer voorbeelden van - viel mijn oog op Prato-Abetone. Een Gran Fondo. Ik wist bij God niet wat een Gran Fondo was, maar daar zou ik later op hardhandige wijze nog achter komen. In mijn jeugdige naïviteit dacht ik dat het een relaxt prestatietochtje was, waar ik in mijn eigen tempo wat bergjes over kon blaffen. Hoe onschuldig en onwetend ik nog was… Na wat speurwerk kwam ik er achter dat de tocht niet lang was, 73 kilometer. “Twijfeldetwijfel, is dat niet wat kort”, dacht ik. Maar toen ik wat doorlas ontcijferde ik dat het toch vooral een klimtocht was. Meer dan 50 kilometer met een flink stijgingspercentage en net iets meer dan 1900 hoogtemeters. “Da’s toch mooi, dat ga ik doen.” Zogezegd, zogedaan, aanmelden maar. Ik printte het inschrijvingsformulier uit, liet het vervolgens weer een paar weken liggen om het – ruim voor het verstrijken van de inschrijvingsdeadline – weer op te pikken. Kopietje paspoort gemaakt en oh ja, nog even het 23 euro inschrijfgeld overmaken naar het Italiaanse bankrekeningnummer… Euhm, waar is het IBAN-nummer… het inschrijffeest moet dus nog even worden uitgesteld tot Italië.

 

In Italië aangekomen eens informeren over het inschrijven bij onze camping Barco Reale te San Baronto (overigens het dorp waar Italiaans kampioen Visconti resideert). De behulpzame Informazione-dame Veronica spendeert er een telefoontje aan. “Geld overmaken? Dat kan.  Dan moet je een postwissel halen op het postkantoor… bladiebla.” “Ho maar”, val ik haar allercharmanst in de reden. “Kan ik niet terplekke inschrijven?” “Just a mienoet”, glimlacht Veronica. Rapidemento hoor ik op het gesprek op en neer pingpongen en krijg ik uitsluitsel. “Je moet even naar Prato rijden om je in te schrijven, dat is het makkelijkst.” Een half uurtje later zit ik op de Autostrada A11 richting Prato en al snel ben ik terplekke in de sportzaak “Il Campione” (what’s in a name?). Ook hier begint de miscommunicatie al snel op gang te komen. De eerste Italiaanse claimt Engels te spreken, maar ze verwart dit met een bezoek aan Londen. De tweede meneer spreekt daadwerkelijk Engels! Hij legt me uit dat alles ‘no problem’ is. Inschrijvingsformulier ingeleverd, dertig eurootjes betaald en het is gepiept. Had je gedacht… Il directore van Il Campione komt ook nog eens voorbij, geeft ruiterlijk toe geen woord Engels te spreken en begint me uit te leggen wat ik allemaal moet doen en laten. Op zaterdag moet ik langskomen en dan is het op zondag om 08.00 uur starten maar. “Op zaterdag?”, vraag ik via de Engelstalige U-bocht-meneer aan Il directore. “Si”, wordt de bal teruggekaatst. “Dan moet je je chip komen halen voor de tijdmeting”. Ach ja, het is vakantie dus tijd zat.

 

Op zaterdag neem ik de gelegenheid ten baat om op de wielrenner richting Prato te gaan. Het blijkt een makkelijk ritje (ik ben na een paar jaar Italië-fietsen gewend dat je gewoon over de autoweg mag met je fietsje en dat je je niet al te veel aan moet trekken van toeterende automobilisten en drukke gebaren). Na wat speurwerk in de Pratose binnenstad, kom ik op de plek van bestemming. Op het bureau van het lokale reisbureau is de bovenste verdieping ingeruimd voor het inschrijven. Daar aangekomen blijkt dat ik een heus rugnummer krijg, het nummer 1070. Ook vallen allerlei gadgets mij ten deel; zo krijg ik een origineel T-shirt van de Gran Fondo. Het wasvoorschriftlabeltje is niet te ontdekken, omdat de kwaliteit van het katoen van dien aard lijkt dat het shirt slechts voor eenmalige gebruik is om daarna als poetsdoek dienst te kunnen doen. Ook een heuse fietspomp met capsule wordt met in de klauwen gedrukt. De enthousiaste uitdeelmeneer heeft net omstandig aan mijn voorganger uitgelegd hoe het werkt, maar drukt mij alleen snel het ding in handen na mijn vraag ‘Do you speak English?’. Ik neem dus aan dat dat een “No” is. Na wat andere snuisterijtjes in mijn Van Tilburg-rugzakje te hebben gedaan kan de reis weer huiswaarts, richting San Baronto. Ik raak een paar keer de weg kwijt en kom warempel op het enige stukje echte fietspad dat ik ooit op al mijn Italiaanse fietsttripjes heb ontdekt. Na een dik uur en ruim dertig kilometer ben ik weer op de camping aan en kan ik de voorbereidingen (rust) voor de Gran Fondo voortzetten.

 

Zondagochtend trek ik goed gemutst (en met helm) om 06.00 uur richting Prato op het fietsje. Nadat in de afdaling vanaf San Baronto (alwaar de camping ligt) een zwarte kart met pad kruist, krijg ik een wat onheus gevoel, maar dat blijkt onterecht. Prettige afdaling, goed vervolg tot Prato. Rustig aan, met zo’n vaartje van 25 kilometer en een hartslag die niet boven de 140 uitkomt. Prima. Ook in Prato zelf loopt alles op rolletjes. Nadat een lokale schone me de laatste vijfhonderd meters de weg wijst, draai ik de bocht om en schrik me wezenloos. Wow, wat een circus; overal druk gesticulerende Italianen, busjes, ploegleidersauto’s, zonnebrillen, ongeschoren gezichten (ik deed natuurlijk zelf ook niet onder), glad geschoren beentjes (hier val ik wel uit de toon), Pinarello’s en andere dure Italiaanse paradepaardjes bij de vleet… Ik begin zo langzamerhand toch wat vraagtekens bij het rustige karakter van dit prestatietochtje te zetten… Wat een toestanden hier aan het vertrek. Als ik binnen bij het reisbureau nog even check of er nog Italiaanse formaliteiten moeten worden voldaan voor de start, merk ik tot mijn grote verbazing dat er nog tientallen bezig zijn met het inschrijven en het ophalen van hun chip… Enig tandengeknars kan ik op dit moment niet onderdrukken, maar daar moet ik me nu niet op focussen; er staan immers belangrijkere zaken op de rol.

 

Met m’n rugnummertje 1070 mag ik in het laatste vak staan, maar al gauw merk ik dat ik zeker niet het hoogste startnummer heb gekregen. Meer dan 2000 rugnummers zijn uitgedeeld en de coureurs staan gezellig keuvelend aan de start. Mijn Meulenreek-outfitje ziet er netjes uit, maar het lijkt er toch echt op dat Gerard Joling en Gordon de helft van het peloton in de kleren hebben gestoken; veel bling-bling en zilvere toestanden. De echte topper is een volledig team dat gestoken is in zwart shirts en met gouden (!) letters. Om 7.45 begint iemand in een ouderwetse microfoon met dito toeterspeakers te tetteren. Speakers die de organisatie waarschijnlijk in de jaren zeventig met een occasie vanuit Nederland hebben aangeschaft. Of de ‘ragazzi’ even op willen letten. Een krasse oude baas begint een verhaal van hier tot Tokio over de pracht van de streek en de schitterende tocht, die nu alweer voor de 26e keer wordt georganiseerd. (Tenminste ik denk dat-ie dat gezegd heeft, ik interpreteer maar even vrij) Af en toe is hij ook niet te beroerd om op luidruchtige wijze iedereen tot stilte te manen, immers hier is een groot spreker aan het woord. Daarna komt de wedstrijdleiding (ook al zo’n eloquent spreker die opvallend veel op het Il Directore van Il Campione lijkt) met een verhaal over de gevaren van de koers. Ik vertaal hier vrij, ondersteunt door een Engels hakkelende Italiaan die me in een sappig accent een korte samenvatting geeft. “Heren, we maken d’r een mooie wedstrijd van (ik denk nog… “wedstrijd?”) we gaan de eerste twintig kilometer tot Pistoia rustig aan rijden. Ga geen mensen inhalen of andere gekke dingen doen. Vanaf Pistoaia knallen we de bergen in en dan is het ‘gaan met die banaan’”. U merkt het is mijn eigen weergave, want ik heb de goede man het woord ‘banano’ niet in de mond horen nemen (“Eerlijk is Eerlijk”, zou Evert ten Napel zeggen).

 

Het blijkt dat de woorden van de wedstrijdleiding volledig, maar dan ook volledig, aan dovemansoren waren gericht. Vanaf de start gaat het hele zaakje op drift om tot de bergen niet meer tot bedaren te komen. Dus voor ik er erg in heb, rij ik met een vaartje van 40 km per uur over de Toscaanse wegen, onderwijl vallende bidons en neerstortende renners ontwijkend met een routine alsof ik het al jaren doe. Gelukkig heeft vrouwlief Lean in mijn oor gefluisterd dat ‘sinistra’ links en ‘destra’ rechts is; deze kennis scheelt me minstens twee hersenschuddingen en een gebroken sleutelbeen. Ik word overigens in de eerste kilometers sinistra en destra ingehaald of het een lieve lust is. Om niet als 2000-zoveelste aan de bergen te beginnen, gooi ik mijn kop in de wind, zet de grote plaat op en ga aan het draaien. “Wat willen die Italianen nou, nu het nog vlak is, kan ik heus wel mee (al is het maar tot het eerste 10%-bordje).” Nu wijst mijn tellertje 50 km aan en passeer ook ik met een paar andere daredevils mannen en vrouwen uit alle leeftijdscategorieën om in het midden van de meute (om precies te zijn 943e) mijn plekje te vinden. Feit is wel dat de hartslag al in de 170 zit terwijl ik tot echt had gedacht dat we in een wandeletappe à la de Parijs-etappe van de Tour de France; hartslag 150, grapjes makend naar Pistoia zouden rijden. Ik heb geen grap gehoord, tenminste niet een die ik begreep voordat we door Pistoia slingeren.

 

Na een flinke lus door de stad, zijn we al snel op de SS66. Nee, dit is niet een oorlogsfilm vol foute Oosterburen op zoek naar dood en verderf. De SS66 is de weg van Pistoia naar Abetone, daar waar het echte werk begint. Als één lang lint beginnen de coureurs aan de beklimming naar Piastre. In de verte zie ik de eersten de berg op vlammen, waaronder - naar mij later blijkt - toprenners als Rumsas en de oude Baldini. De categorie Van Nistelrooy neemt de hobbel in een bescheidener tempo. Al snel ontstaan er groepen en groepjes. Ik weet niet of het komt door mijn kunde of onkunde (laat ik gaten vallen, kan ik niet aanpikken?) maar ik ben zowaar een paar keer buschauffeur en sleur een aantal Italiaanse medestrijders de berg op. Vaak gaat de teller naar de 10%, soms zakt hij tot 7%; kortom een verrekt lastige beklimming van gemiddeld dik boven de 7%. Mijn benen doen zeer, dus lang duurt mijn chauffeurschap niet, maar ik hou al met al toch goed stand. Al snel zijn de groepjes verdwenen en is het ‘ieder voor zich en God voor ons allen’. Ik haal mensen in, wordt ingehaald, kortom iedereen danst in wisselende volgorde de berg op. Ik hou de hartslag goed in de gaten en zonder problemen haal ik de top. Ik heb me nog maar niet volledig gegeven omdat er nog twee beklimmingen volgen, maar ben niet ontevreden over de voortgang.

 

Wat me tijdens de eerste klim al opvalt is de enorme publieke belangstelling. We crossen een paar dorpjes door, waar deze Gran Fondo lijkt aangegrepen om weer ‘s (of het enige?) feestje te bouwen. Niet alleen het publiek is talrijk, ook de organisatie heeft motoren, auto’s en scooters vol superbelangrijke regelaars en zelfs de politie zet gewoon overal het verkeer voor ons stil. Na een paar kilometer klimmen, vind je het al snel de normaalste zaak van de wereld dat het zo geregeld is en kijk ik al verwijtend naar een dame net voor mij de straat nog oversteekt. “Hoe haalt ze het in haar hoofd, meneer de coureur moet er langs!”

 

Na de klim naar Piastre volgt een afdeling van een kilometer of vier, waarin ik even bijtank met een supersmerig goedje dat d’n Beer me heeft aangesmeerd “Daar ga je van vliegen”, zei hij me in Luxemburg tijdens de Jean Nelissen Classic. Ook nu bewijst de praktijk weer Erics ongelijk, maar het buikje is weer wat voller. Dit keer kom ik zonder echte kamikaze-acties mooi beneden in een redelijk tempo. De tweede klim, naar Gavinana, blijkt snel een heel stukje makkelijker dan de eerste. Het rennersveld is al zodanig uit elkaar geslagen dat ik de mensen achter me niet meer zie en ik voor me ook nog maar een paar cyclisten ontwaar. Ik pik bij de mannen aan en passeer voor de zekerheid toch nog even snel nummer 666. Ik ga toch echt niet een hele klim achter ‘the number of the beast’ zitten, onderwijl schiet de toepasselijke volzin ‘I lived alone, my mind was blank” (voor de rock-onwetenden: uit de tekst ‘The Number of The Beast’ van hardrockhelden Iron Maiden) door mijn kop schiet. Met het groepje ga ik naar boven, maar ook deze club dunt al snel uit. Waarschijnlijk heeft de plaatselijke burgervader van Gavinana een flinke duit in het sponsorzakje gedaan, want vanuit het niets maakt de hele karavaan een enorme zwieper naar ‘destra’ (rechts, weet u nog?) om tegen 15% het dorp Gavinana in te mogen klimmen. Voordat ik er erg in heb, rijd ik tussen luid applaudisserende dames en heren van middelbare leeftijd en blaf ik onder een heuse stadspoort door. Ik kijk nog even rond om te kijken of de Sint misschien is gearriveerd, maar al deze fuzz is toch echt om ons te doen. Een paar honderd meter duurt het tumult om na het dorp in rustige maar, volgens de borden, ‘gevaarlijke afdaling’ te komen. Dat ‘gevaarlijk’ vind ik meer meevallen dan de collega’s uit de groep, dus al snel rij ik met zo’n zestig kilometer per uur door de haarspeldbochten richting La Lima. Dit keer hoef ik geen touringcar maar alleen een paar auto’s in te halen. Onderweg haal ik mensen in, maar net voordat ik aan de beklimming begin zie ik toch weer een aantal bekende gezichten achter en voor me.

 

Vanaf La Lima beginnen we aan de laatste klim naar het wintersportplaatsje Abetone, daar waar ook de gelijknamige pas over de Pistoiese Appenijnen voert. Ook hier is alles afgezet, en staat er op elke kilometer een knalgeel bord dat je soms pijnlijk herinnert aan de afstand die je nog moet overbruggen. De laatste klim is pittig, maar minder pittig als de oprit naar Piastre. Prachtig is het te zien hoe iedereen het moeilijker krijgt; de goed gesoigneerde Italiaanse koppies raken steeds meer getekend en mijn modebewuste medestrijders lijken zich nu wat minder druk te maken om hun uiterlijk. Een lange Italiaan met een lange sik (‘verrek, die lijkt op James Hetfield van Metallica’) haalt me in.

 

De laatste drie kilometer is er een met pilonnen afgezet parcours waar we over heen moeten, de meest rechtse anderhalve meter van de weg is voor ons gereserveerd. Omdat de laatste kilometers beduidend minder moeilijk zijn, zet ik er nog even de sokken in. Luid aangemoedigd door een opa ‘Forza, forza!’, zet ik op z’n Ruud Vermeulens aan en haal ik drie, vier, vijf renners in. Als ik de Grijze Geitensik wil passeren, maakt hij net een vermoeidheidszwieper naar rechts, zodat ik vol in de remmen moet. In een sur place kan ik nog even snel ‘de niente’ roepen als hij zich uitvoerig excuseert (daar had hij dan nog wel adem voor :-).  Ik vlam nog even door, de beentjes lopen natuurlijk toch nog even vol, zodat ik een kilometer voor het eind nog even moet terugschakelen, maar als de grote finishboog in zicht is zet ik nog een keertje aan om als een volwaardig Gran Fondo-coureur te eindigen. Naar later blijkt kom ik als 818e over de streep in het eindklassement. Als eerste eindigt ene Rumsas ruim een uur voor mijn drie uur en 45 minuten. In mijn leeftijdscategorie (tot 42 jaar) ben ik 207e, maar in het officieuze door mij zelf in het leven geroepen Brabandersklassement ben ik als eerste geëindigd. Helaas worden hiervoor geen bekers uitgereikt, maar ga ik met alleen de eeuwige roem huiswaarts ;-).

 

Op de Abetone-pas is bij de finish een geheel dorp ontstaan, met kraampjes, sponsoruitstallingen en eten, veel eten. De organisatie heeft ons niet alleen tijdens de race in de watten gelegd, ook nadien kan het werkelijk niet op. Tijdens de rit staan ontelbare dames (in maatje XXXL Prato-Abetone-shirt) met meer dan gemiddelde graagte bekers ‘aqua’ en ‘salie’ (sportdrank) aan te reiken. Ook ‘fruta’ en ‘dolci’ wordt ons al fietsend in de handjes gedrukt. Ja, die Italiaanse mannen zijn niet voor niets allemaal van die mama’s boys. In het finishdorp drink ik een wijntje, neem wat macaroni al pommodore en nog eens wat spaghetti à la tonno om het af te ronden met wat heerlijke koekjes. Inmiddels zijn Lean en de kids gearriveerd en nadat er nog een klein vorkje is meegeprikt, gaat de Giant weer op de Twinny Load richting de camping. De ervaring van deze Gran Fondo is rondweg grandioos, hoewel ik niet had gerekend op het supercompetitieve karakter van deze tocht is het heerlijk om onder gedompeld te raken in een echte koers waar alles op het scherpst van de snede gaat. Hoewel in mij niet een toekomstig winnaar van deze koers schuilt, voel ik me alles behalve de verliezer vandaag.

 

 

Tijd: 3 uur 45 minuten en 30 seconden

Kilometers: 73,5 km

Gemiddeld: 19,6 km/h

Algemeen: 818e

Leeftijdscategorie: 207e

Brabandersklassement: 1e

 

 

 

 

 

 

 

Carlo op de Maiella

 

Een weekje later zaten we in ons tweede vakantieverblijf in Abruzzo en toen kon ik het niet laten om met ondersteuning van Chrisjan (jawel, hij is er weer en fietste zelfs een stuk mee!) en Jerry (mijn vakantievriend en campingbuurman) de Blockhaus di Maiella op te knallen. Zij brachten mij en mijn fietsje naar de N5 onderaan de berg, alwaar de beklimming kon beginnen. Ik zal het kort houden: die ging heel erg goed. Een stuk in het midden (bos, stekende insecten en soms meer dan 10%) en de allerlaatste kilometers met een vernijnige harde wind op kop vond ik lastig. Maar zonder echte problemen, trapte ik de 28 klimkilomters weg in een totaaltijd van 2 uur en bijna 40 minuten. De soigneurs Jerry en Chris legde me lekker in de watten, zodat ik in één keer kon doorhalen.

 

Chris fietste uit solidariteit de laatste drie kilometers mee naar de top van de Maiella, daar waar geen auto meer kan komen op de top van 2045 meter. Samen gingen we huiswaarts (te zeggen, de camping in Silvi Marina). Na een prettig snelle afdaling (72,3 km/u was de top) bleek onze grootste tegenstander de hitte. Het kwik liep op tot 44 graden; heel veel drinken was dus het devies.

 

Na enkele stops en in totaal 124 kilometer konden we dan eindelijk rustig gaan zitten, nog even wat vocht bijgetankt (in totaal meer dan zes liter water gedronken deze dag).     ``

 

 

posted @ 10:18 PM | Feedback (2)