Conditioneel Blog

Flip's elektronische schetsblok
posts - 30, comments - 18, trackbacks - 1

Thursday, November 03, 2011

Aforismen 13

 

 

Het toetje

was een beetje een domper

op onze eetlust

 

----

 

De mens wikt

En God

Hij dobbelt

 

----

 

Gek

Maar niet grappig

 

---- 

 

Een onverhoedse inval

 

----

 

Hij deed net of hij struikelde

En wij?

Wij deden natuurlijk net

of wij lachten

 

----

 

A sleeping policeman

Woke me up

 

----

 

Denk je eens in

Ze raceten in die tijd

zonder helm en zonder veiligheidsriemen

 

Nou ja,

Ze waren natuurlijk wel

extra voorzichtig

 

----

 

We hebben het zo druk

Dat we helemaal vergeten zijn

het week-end vol te plannen

 

----

 

Ik wordt oud

Ik voel

Aan het vel van m’n gezicht

Hoe ik kijk

 

---- 

 

En toen opeens

Een ongehoorde knal

Eindelijk

Het begin van het heelal

 

----

 

Ik hoop dat ik ooit nog eens

in een gemoedstoestand kom

waarin ik me dit herinner

 

----

 

De eenvoud van haar redeneringen

dankte ze geheel

aan haar uitzonderlijke schoonheid

 

----

 

Hij gaf je altijd een slap handje

en hij draaide

denk ik

ook nooit de kraan helemaal dicht

 

 

posted @ 11:52 AM | Feedback (0)

Friday, March 11, 2011

Alles heeft een context, behalve 'alles'

 

Wat is er buiten het heelal

Wat was er vóór de oerknal

 

Voor het begrip ‘oneindig’ gelden de gewone rekenregels niet meer. Drie maal ‘oneindig’ is nog steeds oneindig, en zelfs oneindig maal oneindig is oneindig. Oneindig gedraagt zich in een berekening dus anders dan een eindig getal. Dit ter inleiding.

 

Dan nu het ‘heelal’: voor uitspraken hiervoor gelden m.i. ook andere regels. Als je ervan uitgaat dat dit begrip 'alles' omvat en dat er daardoor geen sprake kan zijn van welke context dan ook. Zo heeft het heelal geen voorkant achterkant, zijkant, boven- of onderkant.  

Als je ervan uitgaat dat het heelal geen momentopname is, maar een proces, dan kun je ook zeggen dat er geen begin en geen eind denkbaar is. Begin en eind gaan alleen op voor deelprocessen, processen die een grotere context veronderstellen: eerst was er de context, en toen ontstond daarin iets nieuws, of er verdween iets wat daarvoor in die context was opgenomen. Als je bijvoorbeeld een begin van het heelal veronderstelt, dan veronderstel je impliciet dat er voor het ontstaan van het heelal een context was waarin het heelal nog niet voorkwam… Een context die weer overblijft als het heelal ooit aan z’n eind komt.

 

 

Een kijkje in de richting van de linkerkant van het heelal. Let op, deze afbeelding staat ondersteboven.

 

Als we kijken naar het concept van de oerknal, dan zitten daar vreemde tegenstrijdigheden in. De achtergrondstraling is net zo oud als de oerknal, dat licht is het langste onderweg, het komt van het verst denkbare gebied van het heelal, het is het behang aan de binnenkant van het heelal. Heel ver van ons vandaan. Maar ga geen lichtjaar verder, je kunt niet door het behang steken, er is geen buitenkant en geen grotere context…

Van binnenuit gezien is achtergrondstraling gewoon te begrijpen als het ‘behang’ van het heelal, maar je mag daar geen buitenkant bij denken.   

Hetzelfde geldt voor het moment van de oerknal: van binnenuit is er een geschiedenis die 

ons terugvoert naar de oerknal, maar je kunt geen jaar verder terug denken: vóór de oerknal was er geen context waarbinnen het heelal kon ontstaan.

 

Een tegenstrijdigheid, je kunt misschien zeggen dat het concept ‘contra intuïtief’ is, maar wanneer mag je dat zeggen? In het bedrijven van wetenschap proberen we toch tegenstrijdigheden uit te sluiten. Wanneer kun je dan een tegenstrijdigheid overrulen door het een ‘contra intuïtieve’ waarheid te noemen?      

Is het niet eerder zo dat het ondenkbare concept van een uiterste grens en een eerste begin zich niet laat afdwingen, waardoor we op grond van onze hypothesen en waarnemingen een ‘antwoord’ van de natuur krijgen dat dit concept ondergraaft? 

posted @ 4:31 PM | Feedback (2)

Monday, March 07, 2011

De vrije wil

Ik verdedig de vrije wil, ik moet wel

 

De vrije wil bestaat niet, het staat in de krant, het is wetenschappelijk bewezen. In het dagelijks leven ervaren we dat misschien niet zo, maar het is nu aangetoond, de vrije wil is een illusie.

 

Een vorm van geweld

In de wetenschap zijn altijd lieden die hun manier van kijken naar de mens iets te serieus nemen. Zij gaan ervan uit dat de mens in werkelijkheid een machine is, die beschreven kan worden in termen van oorzaak en gevolg. Daarmee heb je eigenlijk al gezegd dat alles wat daarbuiten valt een illusie is. Zoals kan bewustzijn, want kijk maar eens goed naar hoe de mens een machine is, ontleed het zenuwstel, kijk goed naar de hersenen: het zijn allemaal stroomdraadjes en schakelingen, net als bij een computer. Nergens bewustzijn te ontdekken. Nergens ook ervaringen. Als je iemand, wetenschappelijk verantwoord, pijn doet, dan zie je stroompjes lopen naar de hersenen en terug, maar de ervaring van pijn kun je nergens ontdekken. Dus ook dat is een illusie.

Maar is dat nu bewezen? Als je van te voren vaststelt dat de mens eigenlijk een gecompliceerde machine is, dan komt dat er ook wel uit. Maar dan moet je wel de aspecten die niet in het beeld passen, zoals het bewustzijn, de ervaring, en nu ook de vrije wil, tot illusie verklaren.

Dus eigenlijk wordt er niets bewezen, er wordt geweld gepleegd: de mens wordt onder de blik van de wetenschap gereduceerd tot een soort robot en alles wat daarbuiten valt, wordt gediskwalificeerd.  

 

Of toch iets anders?

Kunnen we het bericht over het niet bestaan van de vrije wil dus naast ons neerleggen, als de zoveelste doorzichtige poging om de mens te reduceren tot een robot?

Misschien toch niet. Als we kijken naar het bewijs dan is dat toch wel verontrustend. Bewezen is namelijk dat de impuls tot handelen voorafgaat aan het moment dat we zelf besluiten om tot handelen over te gaan. De handeling gaat aan het besluit vooraf. We willen wat we doen.

Het huidige experiment heeft een geschiedenis. In de zestiger jaren hebben twee Duitse onderzoekers, Hans Kornhuber en Lüder Deecke onderzocht hoe lang het duurde voordat een handeling na een besluit kon worden uitgevoerd. Uitkomst: het zou ongeveer 1 seconde duren voordat een handeling, na een besluit in de hersenen, door het lichaam kon worden uitgevoerd. Zoiets als de schrikseconde bij het remmen in een auto.  Deze tijdsduur noemde zij het ‘Bereitschaftspotential’ of het gereedheidspotentiaal. (Retu Schneider in ‘Bizarre Wetenschap’, pp 249)                           

Tot zover niets aan de hand, de beslissing ligt hier nog gewoon voor de uitvoering. Een kritische wetenschapper, zeker geen robotmens zou ik zeggen, Benjamin Libet, vond dit wel een lange tijd, die niet klopte met de menselijke ervaring. Daarom vroeg hij zich af of het moment van de beslissing niet nauwkeuriger kon worden bepaald. Hij bedacht het volgende experiment: hij zou proefpersonen naar een snel lopende klok laten kijken. Als ze het besluit tot een beweging zouden nemen, konden ze achteraf aangeven wanneer dat was geweest.

Nu beek, in 1979, dat het besluit tot een handeling slechts 0,2 seconde voor de handeling lag. Nog niks aan de hand, ware het niet dat het gereedheidspotentiaal 0.55 seconde of meer aan de handeling voorafging. Het lichaam maakte zich dus al klaar voor de handeling, voordat het besluit genomen was… (idem, pp 251)      

 

Het juiste tijdstip van de beslissing    

Misschien is dit het moment om opnieuw te kijken naar het juiste moment van de beslissing. Want hoe kan het lichaam zich voorbereiden op een bepaalde handeling, als daar nog geen beslissing over is genomen? Er zijn zoveel handelingen waar men zich op voor zou kunnen bereiden, hoe kan het dat proefpersonen zich uitgerekend voorbereiden op de handeling die van ze gevraagd wordt! 

Misschien zijn er verschillende fasen in de besluitvorming te onderscheiden. De proefpersonen melden zich bij het onderzoekslaboratorium. Hier ligt al een deel van de beslissing: zij gaan doen wat van ze gevraagd wordt. Dan volgt een gesprekje met de onderzoeker die ze uitlegt dat ze op een knop moeten drukken of een handel moeten overhalen, op het moment dat ze dat besluiten. Daar ligt een volgend deel van de beslissing. Als verteld werd dat zij als deel van het experiment in het koude water zouden moeten springen, zou hun hartslag misschien al versnellen. Maar ook als ze gevraagd wordt op een knop te drukken, kan er al iets gebeuren. Iets dat verklaart dat het gereedheidspotentiaal zich nu juist daarop instelt. Als dan de klok begint te lopen, dan is de proefpersoon in principe klaar voor de gevraagde taak. Het gaat er nu alleen nog om het juiste moment af te wachten, om, als het potentiaal voldoende is opgebouwd alleen nog ‘ja nu’ te denken. De beslissing, waarna het nog 0,2 seconde duurt voordat de hand geactiveerd is en de knop wordt ingedrukt.

 

Onbewuste lagen

Een interessant onderzoek, niet voor wetenschappers die toch al dachten dat de vrije wil een illusie was, ook niet voor filosofen die dachten dat wetenschappers toch al niet in de vrije wil geloofden, maar wel voor iedereen die zich afvraagt hoe een beslissing tot stand komt. En dat zou wel eens in verschillende fasen kunnen zijn.

Je wordt ’s ochtends wakker, en je stelt je voor wat je die dag gaat doen. Wat is urgent, wat is plezierig om te doen… je weegt die dingen af en je vormt je een beeld van de dag.       

Hier begint het gereedheidspotentiaal al vorm te krijgen. Als je er klaar genoeg voor bent kun je opstaan en een begin maken met de uitvoering van je plannen. Dan komen de momenten dat je ‘ja nu’ denkt en tot actie overgaat.        

Je neemt dus in de ochtend de algemene beslissingen, en dan ga je, als de tijd er rijp voor is, tot actie over. Welbeschouwd kun je hier nog een aantal, nog algemenere, beslissingen ontdekken die daaraan vooraf gaan. Het begint niet in de ochtend, een algemeen idee van wat je gaat doen vorm je misschien al een weken of maanden eerder. Een nog algemenere beslissing neem je als je solliciteert. En je kunt nog dieper graven: een nog algemenere beslissing neem je als je gaat studeren. Zo kun je in elke beslissing steeds diepere lagen ontdekken. Lagen waar je je niet meer van bewust bent, maar die wel de basis vormen van je actuele beslissingen.

 

De vrije wil verdedigen, ik moest wel

Niet omdat mijn hersenen, mijn handen en alle benodigde organen die beslissing voor mij hadden genomen, daarmee zou ik noodgedwongen een illusie hebben verdedigd. Een absurde reden, of moet ik zeggen oorzaak, waarover ik graag eens meer zou horen van de kant van díe wetenschapsbeoefenaren die de  mens tot een machine hebben verklaard. Zouden zij aannemelijk kunnen maken dat de illusie een functie heeft te vervullen in een systeem dat in de grond van de zaak machineachtig en nuchter is?

Maar waarom heb ik de vrije wil dan wel verdedigd? Niet omdat het moest op grond van de absurde logica van de machine die ik zou zijn, maar eerlijk gezegd voelde ik toch een zeker moeten. Dankzij de genoemde wetenschappelijke experimenten, en enige reflectie daarop, kan ik nu vermoeden dat dit moeten het gevolg is van alle eerdere beslissingen om de vrijheid te verdedigen, beslissingen die ik allang vergeten ben, maar die evengoed de richting bepalen van wat ik nu belangrijk vind. En niet alleen dat, intussen hebben al deze vergeten beslissingen ook bijgedragen aan de opbouw van een gereedheidspotentiaal om alles dat samenhangt met het begrip vrijheid te verdedigen. De recente publicaties over de illusie van de vrije wil hebben vervolgens gezorgd voor een ‘ja nu’, waarop het schrijven van deze bijdrage is begonnen. Dat was niet na 0,2 seconde, en daarom zou ik aan de uitkomst van de wetenschappelijke experimenten inzake de vrije wil willen toevoegen dat er tussen het ‘ja nu’ en de feitelijke handeling ook wel eens wat meer tijd kan verstrijken.                    

 

Flip Krabbendam

posted @ 5:23 PM | Feedback (2)

Monday, January 17, 2011

Involvement in the built environment

Involvement

 

An inventory of situational and instrumental qualities in the built environment

 

In which modernist and postmodernist design is put in an existentialist perspective  

 

by Flip Krabbendam

 

 

 

 

INTRODUCTION

 

Evaporating Postmodernism

When we look at the 'experience' oriented postmodernist architecture we can see a problem. Postmodernism tells us that the world we experience consists of images. Images that are more interesting then the good old reality. But, interesting as they may be, when we really try to live with them, these postmodern images tend to loose their meaning, our environment seems to be more and more imaginary and ready to evaporate. Here we enter the world that the French philosopher Jean Baudrillard has called the ‘hyperreality’, a world that will leave us in the end with a feeling of total emptiness.

 

Back to Modernism?

When we think of the functionalistic modernism that we left behind us, we may feel the urge to go back to it, and forget that here was a problem too. The emphasis on functionality in modernist architecture has led us in the past to a technocratic environment in which we felt reduced to parts of the environment, to the proverbial little wheels in the big machinery. Here we are talking of the problem of depersonalization. Which also could lead to a loss of meaning. So, going back to the Modernist approach doesn’t seem to be the solution. 

Where can we go, now both ways lead to a deadlock?

 

Two basic attitudes

Both architectures have their own problems in then field of the engagement. In this research I have tried to investigate if, and how, we can find a way around the problems. Therefore I have introduced two basic attitudes, in which we can relate to the world: the ‘instrumental’ and  the ‘situational’ attitude. When we take on the ‘situational’ attitude, we are receptive and we let the world act on us; when we take on the ‘instrumental’ attitude, we are active and we act on the world ourselves. I’ll try to illustrate the meaning if these two attitudes with the example of the walk in the woods.

 

Walking in the woods

When we take a ‘situational’ walk in the woods, we are receptive and have an open ear for the birds or the breeze in the trees. And we may smell the flowers and the grass or the fur trees. We may also experience the heat of the sun, and the coolness of the shadow underneath the trees. Thus we undergo a multitude of effects that the surrounding world may have on us.

Imagine now that it starts raining! This usually has a dramatic effect on our attitude: we start acting, in order not to get wet. We unpack our umbrella and put it up. Or we run for a big tree for cover. We are now fully devoted to the ‘instrumental’ attitude.

 

The two attitudes make a big difference in how we appreciate in the world. In the ‘situational’ attitude we may prefer a curving footpath that allows us to wonder between the bushes and to be surprised by open spaces, unexpected animals or mysterious trunks. And we may even appreciate the fact that we are barefoot on an unpaved footpath.

But as soon as the rain has triggered our ‘instrumental’ attitude we don’t like the curves anymore. What we would appreciate now is a paved road that brings us in a straight line to a warm and dry place. We are no longer interested in wondering around, the mysterious trunks may now cause us to fall, and our bare feet and the unpaved footpath make us struggle even more.       

 

Two attitudes that imply each other

These attitudes work out very differently, but yet they belong to each other.

In our situational attitude we let the world act on us, in our instrumental attitude we act upon the world ourselves. As receptive and active, both attitudes oppose and imply each other. And it is not difficult to see that both attitudes play their role when we develop the world, as we change from one attitude to the other and back.  

But we don't think in terms of 'situational' and 'instrumental' attitudes. We are more used to terms like 'experience' and 'functionality'. We can recognize the situational attitude when we focus on 'experience' and we can recognize the instrumental attitude when we focus on 'functionality' but there is a difference.     

 

Emancipation

Postmodernism underlines the experience, and we can read this approach as 'situational'. Modernism was inspired by functionality and we can read this approach as ‘instrumental’. We can see the mutuality of the 'situational' and the 'instrumental' approach now, but we don’t' recognize this mutuality when we use the postmodernist term 'experience’ and modernist term 'functionality'.

There is a history behind this, a history that dates back to Descartes in the seventeenth century. In this history 'functionality' has been connected to 'objectivity and truth’, while 'experience’ has been identified with ‘subjectivity and illusion’. To overcome these connotations we need a closer look at the situational and the instrumental attitude.

 

Existentialism

To start with the situational attitude: when a human subject is engaged in a receptive attitude towards the world, who are we to say that the resulting experience is an illusion? The existentialism of Martin Heidegger can support us here. In this philosophy he states that an open minded and receptive attitude towards the world will show us a world that is as true as we are. That means that the world that comes with the situational attitude is not just a postmodern game that will leave us empty in the end,  it can be a meaningful reality.     

When we are engaged in the instrumental attitude, when we are acting upon the world as real agents, we are more than just a little wheel in a big machinery. So the matter of commitment has also an instrumental side. Here we can rely on the existentialism of Jean-Paul Sartre’s, in which acting upon the world implies a human subject that is, as an agent, engaged in changing the world.

With the recognition of the necessity of an engaged agent in the instrumental world, we may prevent technocratic depersonalization.

 

The aim of the research

Now we can realize that there is no ground for a choice between an ‘imaginative’ postmodernist approach, based on experience, that can lead to a postmodernist emptiness and a ‘realistic’ modernist approach, based on functionality, that can lead to technocratic depersonalization.

 

 

Postmodernist emptiness

 

 

 

Technocratic depersonalization

 

When we try to overcome both, 'experience' and ‘functionality’, and focus on the situational and the instrumental attitude, we don’t need to choose between two troubled sides, we can clear both sides and make no choice.  

The situational and the instrumental approach don't exclude each other. We can see them as two approaches that can be put in one perspective because they imply each other.  

This concept looks promising and the aim of this research has been to find out if and how this new concept could be made operational in the field of the design of a built environment, that invites us to involvement, instead of inviting us to postmodernist emptiness or modernist depersonalization.   

 

Three basic questions of the research

When we distinguish and value the two basic attitudes that refer to two different appreciations of the world, we can ask ourselves three questions:

1) Which qualities of the built environment can invite us to a situational involvement?

2) Which qualities of the built environment can invite us to an instrumental involvement?

And, as soon as we realize that the two attitudes are implying each other, we can also ask the question what this mutuality will mean for the understanding and design of the build environment.

3) What is the meaning of the mutuality of these two attitudes for the design of the built environment?  

 

Hermeneutic research

If we want to develop a ‘situational-instrumental’ approach of architecture,

we must try to clarify and investigate the meaning of the new concept, and that is why a ‘hermeneutic research’ was appropriate here. The development of a ‘situational-instrumental’ approach also means that the qualities that can invite to one of the two basic attitudes had to be made operational. This will allow us to put these qualities to the test in the real world, ‘to eat the pudding’, for further development.   

In the following text I will follow the hermeneutic research and describe some of the most interesting new qualities that came out of it.  

 

 

THE SITUATIONAL ATTITUDE

 

Architecture, taste and identification

The situational attitude is characterized by receptiveness. Here we are in the field of Postmodernism and Experience Design, where the main issue is not the functionality, but the experience of the build environment. The fact that we can recognize many schools in Postmodernism demonstrates the multitude of aspects that can be experienced in a situation.

Now we have changed the postmodernist world of illusions, where ‘everything goes’, for a world of situational commitment and truth, we may ask ourselves if we are still in the field of 'anything goes’. There might be a way to make ‘the right choice’ as we look for commitment. To answer this question, we need to look a bit deeper into the nature of the ‘situations’ that belong to the situational attitude. 

Imagine that we want a special kind of situation: a swimming pool in the garden. Now we can start digging in the garden and we have a good reason for it. But having a reason is characteristic for the ‘instrumental’ attitude. Reasons last only as long as we are digging. We have no reasons for the result of our digging, the swimming pool! It is just a situation that we like. We cannot argue about this. Forced to think about it, we might come up with a reason, we may say that the swimming pool will serve our health. Now the swimming pool is no longer a situation, but a means to another situation: our health. Now our health has become the situation that we ‘just like’, without a reason.

What we see here is how reasons illustrate that we are involved in the ‘instrumental’ attitude. Reasons chase the situational attitude away. The situational attitude can only lead us to situations that we ‘just like’, without any reason. So we can make a right choice as long as we choose what we 'just like' without any reasoning. The choice for one situation or another is 'a matter of taste' where no reasons are involved.  

 

If ‘a matter of taste’ excludes reasons, we can easily see that there cannot be such a thing as a good or a bad taste. Because, for a good or a bad taste we need reasons and reasons make the situation disappear…

Still many architects have a preference for certain situations, based on the concept of a ‘good taste’. What they don’t see is that the concept of ‘good taste’ is a contradiction in itself.

From the viewpoint of the situational attitude, architecture means arranging the whole constellation of whishes and preferences of users in such a way that they can identify with it, ‘become friends with it’, in the words of Christian Norberg-Schulz.

 

Associations

In the choice of situational qualities, we will find that associations may play an important role. When qualities have appeared together often, we can associate  these qualities to one another, like in the experiment of Pavlov. A ‘climbable’ tree in the wood can make us think the holidays when we were of climbing in trees. Qualities can also appear together by resemblance, and thus evoke associations. A building with a triangular shape on top of the entrance, columns  and facades of marble, can evoke associations with Greek temples. With the use of associations we can add extra layers of meaning to the built environment.    

 

 

Mead/Rendall Residence, New Mexico, by Bart Prince. Associations with the organic shapes of nature and industrial materials. 

 

Orientation

For a proper commitment of the user, orientation is important. Here we can also think of Norberg-Schulze, when he underlines the importance of a balance between ‘earth’ and ‘heaven’. This means that the situation should enable us to identify with a part of it, the ‘earth’, without losing the sight on the whole of it, ‘heaven’. Here we can make use of the sequence of situational levels that we can recognize in the sequence of the house, the street, the neighborhood, the city, etc. This sequence of situational levels can also help us in our orientation to other people who belong to these levels.    

 

Parade

On the lower levels of this succession we can relate to others because we know them. But how can we meet people on the higher levels? From the tradition we have inherited a simple means: the parade. Here we can do two things: show ourselves or look at others. Exchanging looks can be enough. But if we want to, we can also address other people and exchange ideas and experiences.

What we need is a strip to parade on, with watching areas at the sides.    

 

         

When we think of a parade, we tend to think of boulevards in big old cities. But we can understand this concept in a broader way. Children in a playground also parade when they want to come into contact with other children. Parading can take place at all different levels of the succession of situational levels, while the participants can be of all ages.       

 

'Corridors'

The parade stands for a more formal way to relate to other people, but contact between people can also take place in a more informal setting, in the ‘corridors’ of a neighborhood or a city. Here we might think of the Greek stoa’s that went alongside the central agora of ancient Greek city centers. In these ‘corridors’ people could meet in an informal way and comment, ‘bottom up’, on the identity of the city. In this way corridors may contribute to a certain freedom in developing our lives in the neighborhood or the city.            

 

                     

Vue on the Stoa of Attalos from the Hephaisteion, in Athens, built140 bc. 

 

'Communicating doors'

This sequence of situational levels can have the structure of a tree. But as Christopher Alexander has pointed out: a city is not a tree. If our streets lead only to our own neighborhood centre, then we would only meet people that are involved in our own neighborhood. But we can connect our streets with the streets of other neighborhoods, we can build lateral connections, ‘connection doors’ between neighborhoods that invite people from outside. These ‘communicating doors’ might be provided with small scale meeting places, and maybe events or other causes that can evoke an exchange of ideas with ‘outsiders’ that can comment on our affairs with no chains attached. Who can open up our perception of life and make it more diverse and interesting.

 

 'Steering'

An interesting aspect of situations is the ‘steering’: this is an instrumental quality that we use to play with a situation and bring it to life. In doing so, the ‘steering’ does not become explicit: we will use it when we are focusing on our situational attitude. Here we can think of light switches, doorknobs, or the heating. Or, when we go outside the house: a scenic driveway. 

 

       

THE INSTRUMENTAL ATTITUDE

 

Sequence of instrumental levels: the material side

When we take on the instrumental attitude, we look at a world of instruments. Here elements are not connected by association but by ‘cause and effect’. Here we can see how different parts of an instrument work together, and form a bigger whole. This is what Modernism has been trying to demonstrate in the last century. (Also in the field of situations…)

Instrumental parts that build up to a bigger whole, here we can recognize an sequence of instrumental levels.   

                                        

Sequence of instrumental levels: the social side

When we adopt the instrumental attitude, we perceive not only a world of instruments, we also see people that act on the machinery, the agents.

As agents we can’t work with ‘everybody’ at the same time. We work with a small and survey-able group. These small groups are geared to one another, as they are united on a higher level. The bigger a company or factory is, the more levels. So, we can recognize a sequence of social instrumental levels here. By making this sequence visible, we can show the agents who handle the material sequence.    

 

Different parts of the ‘Jerry Lind’ (built in 1847) form a sequence of instrumental levels.

The wheels and the metal frame form the undercarriage, the steam boiler, and the funnel form the steam engine, while the undercarriage and the steam engine form the locomotive.      

 

Situational coloring

As we have seen, we use implicit instruments in our situations. When we think of an instrument, we can look for implicit situational elements that can play a role in the use of the instrument. And we can find them! For example: we can see that the tower of Tatlin was designed as an instrument, but when we look at this tower from a situational point of view, we may discover a story of danger and adventure. This is a ‘situational coloring’ that we can perceive implicitly when we look at the design with the supposed instrumental look.

 

 

Danger and adventure as ‘situational coloring’

 

Instruments that were designed by Modernist architects show a different coloring. No more adventure and heroism here. What we see are abstractions that indicate that the instrumental attitude is now linked to science and objectivity. As a designer we can play with this situational coloring to underline the meaning and the kind of use of the instrument.       

 

'Handles'

Another implicit reference to the situational attitude is given in the handling of an instrument. Here we always need something like a 'handle'. This is an implicit situational aspect of the instrument. The situational qualities of handles become visible when they are designed badly, when the handle start to hurt us and disturb the instrumental attitude. 

In the case of the Jerry Lind (see above) we can recognize the railing for the engine driver as the ‘handle’ of this instrument.

When we talk about 'handles' we are talking about ergonomics. In the design of furniture, tools or machines, these implicit situational elements are widely accepted. But in modernist architecture they don’t show as situational elements.               

 

 

MUTUALITY

 

Facilities for the interplay

We have seen instrumental qualities in the situational domain, and situational qualities in the instrumental domain. In these situation one of our attitudes is explicit, the other is implicit.

When we link a kitchen tot a living room, we have a constellation in which both attitudes can be explicit. The link between the two domains enables inhabitants or users from the situational domain to come into contact with producers from the instrumental domain, to discuss what will be produced. And after the factual production, these links can also be used by the producers to hand over the products to the users. An action that transforms the product into a ‘consumpt’.

What we see here is how the link and the interaction between the two domains can lead to the development of the situation. In order to be able to produce new situations, instruments will have to develop as well. This means that the interaction between the two attitudes, that is based on their mutuality, leads to an interplay in which both, situations and instruments, are developed. And this goes hand in hand with the development of the situational and the instrumental attitude!       

I will refer to the links, where the mutuality and the interplay of the two attitudes becomes clear, as ‘facilities for the interplay between users and producers’.

 

Connected facilities for the interplay

Levels of the sequence of situational levels can directly be linked to an instrument of their own. Like the kitchen and the dining room. Or the kitchen in a restaurant that is linked to the dining area. The facility that links the two domains can takes the shape of a simple counter where drinks or food can be ordered and handed out.  

  

Semi-connected facilities

When we think of a bakery, we can see that this instrument is connected tot the back of the shop. The front of the shop has lost contact with the situational level that the instrument is producing for. In other words: the interplay is only connected on one side, it is semi-connected.       

 

Free floating facilities

The production can be centralized more by lifting the instruments to a higher situational level. Now we can take advantage of the development of our technology and have products of a higher quality at a lower price. This higher level might be a national or even a super national level. The facilities for the interplay normally stay within reach of the consumer, in the neighborhood or in the city centre, somewhere between the low situational level of the consumers and the high situational levels where the instruments have been lifted to. Now both sides of the facility are disconnected. What we see here is a ‘free floating facility’.

The disconnection can cause communication problems. Consultations between consumers and producers tend to disappear. Only to be replaced by the one directional communication of advertising.  

This can be a threat to the mutuality between the situational and the instrumental attitude. Designers can not change the way producers treat consumers, but what they can do is propose and design facilities for the interplay in a way that the actual interplay between consumers and producers can still take place.

 

Facilities footloose and network urbanism

In the examples as described above, the facilities for the interplay were situated somewhere between the lower level of the consumers, normally the household, and the higher level where the production takes place, the country or even a higher level. What we see now is that these facilities for the interplay can start moving around and land in the middle of nowhere, like the malls that have landed somewhere along the motorway.         

These malls are no longer connected to a situational level. They seem to be footloose. Consumers that visit such facilities are diverted from the situational levels where facilities used to be, neighborhood- or city centers. This can be a threat to the public life of these situational levels. Especially when the facilities that are footloose, compete with local facilities. Now we are not only confronted with a loss of service on a local scale, there is also a loss of public life: neighborhoods and city centers depopulate, which is a threat to the sequence of situational levels that supports the possibilities for our identification and orientation.

The loss of neighborhood- and city-centers can also mean the loss of historical environments. When this occurs, we may loose our orientation in time, which might cause problems when we want to relate our lives to a historical context.         

That is why network urbanism can be a threat: with the loss of old neighborhood- and city-centers we lose our qualities for identification and orientation as well as our qualities for orientation in time, qualities that cannot be replaced by the facilities for the interplay, situational facilities and instruments that will appear along motorways.          

 

Centre without a city

Facilities for the interplay that are footloose can sometimes be brought back to local, or city centers. But many of these facilities have a service area that is too big for the situational level of a neighborhood or a city. To prevent these ‘super-urban’ facilities from wandering around and being footloose, we can think of the formation of higher situational levels, on the level of a county or even the county, where wandering facilities for the interplay can be connected to the sequence of situational levels and find a home. These levels can also host instruments like offices, or other enterprises that have a super-urban service area.

Super-urban levels may look like city-centers, but there will be a difference: these centers are not surrounded by residential areas! Super-urban centers are ‘centers without a city’.

May be the service areas that appear along motorways nowadays, can be seen as a first step towards the formation of centers without a city.      

 

 

The western town as a ‘centre without a city’ avant la lettre. There is a saloon, a hotel with a dining room, a hair cutter, a dance hall, grocery store, al kinds of facilities that form the centre, but there is not even a small neighbourhood.  

 

Connection

The mutuality between the situational and the instrumental attitude can be shown in the design and the location of the facilities for the interplay, but this mutuality can also appear in the visible connection between instrumental and the situational domains. In architecture this is unprecedented, but in industrial design we can find examples, like the scooter, where you can see how instrumental elements, like the engine and the suspension are connected with the situational side of the scooter, the seats and the body that prevents the driver from getting wet feet and oily clothes. The engine and the body are not only connected because they are parts of the same whole, they are also connected because the size of the suspension and the strength of the engine are in tune with the comfortable, not speedy or adventures, drive, that is promised by the shape of the seat and the body.

 

 

In the built environment situation and instrument are not always connected in a way that they are part of the same whole. May-be this is the case by a kitchen in a house or a restaurant, but most of the time the instrument appears to be apart from the situation that it is producing for. Here the sequence of situational levels may help us, because when we place an instrument on a certain level, we can understand that it is producing for the levels below the level where the instrument is placed. To show the connection between instruments that produce on a ‘super urban’ scale, we may need extensions of the sequence of situational levels, ‘centers without a city’, to give these instruments a visible place above the situational levels that they are producing for.        

   

 

CONCLUSION

 

Eating the pudding

In this hermeneutic research a variety of architectural theories and practices has been reviewed in order to define the qualities that can be the basis of a ‘situational-instrumental’ approach. If we want to value these qualities we must put them to the test.

In the first place the theory has to be tested by architects: is it useful, can the considerations and recommendations of the ‘situational-instrumental’ approach be integrated in the design practice?           

After this first testing, the real empirical testing can begin: when a design is realized, do the built in qualities do their work. Do they really invite inhabitants and users to involvement with the built environment and with each other? And do they really facilitate the mutuality of the situational and the instrumental attitude?

 

Accessibility

It may be a problem that this research and the ‘situational-instrumental- approach’ are based on a philosophy that is not always accessible. The concepts of Heidegger and Sartre can be difficult to understand, or to accept.

Furthermore these two thinkers sometimes had questionable political viewpoints.

For those who have committed themselves to modernist or scientific attitude, it can be hard to accept the critics on functionalism. The same goes for those who have adopted a postmodern way of thinking.        

In spite the problems with the accessibility, I choose for the existentialism as a philosophy that is explicitly concerned about involvement.

 

A new role for the designer?

The qualities that come out of the research don’t point in the direction of a certain way of designing. But the fact that the taste of users and resident will be at the basis of the design, can make a difference. Not for those who are used to work with residents or users, they may enjoy the interaction, in which they develop qualities that these residents or users want to be friends with. Designers who see the interaction with users and residents as a threat to the ‘good taste’ that they represent, might be worried.          

 

A new architecture?

The qualities that come out of the research are described in such an abstract way that much room for interpretation is left. So these qualities are independent, and not connected with a special kind of architecture. But this doesn’t mean that any existing architecture can be used without a problem!

When we think of the two domains, we can see that the reach of the good old modernist approach is too short, it only serves one domain.

The same goes for postmodern approaches: here we miss the ‘language’ for instrumental qualities.   

So we can see that a ‘situational-instrumental approach’ invites us to invent a new kind of architecture and a new kind of urbanism. 

 

Final conclusion

This research shows that the situational and the instrumental attitude can be the starting point of an adventure that gives us new qualities for the interpretation and for the design of the built environment. Qualities that can help us overcome modernist depersonalization and postmodern emptiness.

But the formulation of these qualities is only a first step. We need to investigate if these qualities can be realized in our design practice. The next step will be the investigation of users and inhabitants: do these new qualities invite to more involvement, also in their eyes? 

We still don’t know what the results of this research will mean for users and inhabitants, but we can imagine what the meaning will be for architects and planners. Those who see the influence of users and residents as a threat to ‘good taste’ may be worried, but others may be inspired as they see how the qualities that follow from this research can be the start of a journey that will lead to the discovery of new qualities and new ways in practicing architecture and urban planning.   

 

 

This text is a summary of the Ph D thesis that I developed under the supervision of professor Rosemann (on the Faculty of Architecture of Delft) 

 

 

 

posted @ 11:25 AM | Feedback (3)

Sunday, December 13, 2009

Aforismen 12

 

Ze zegt haar afspraak af

Maar de voorpret

heb ik dan toch maar gehad

 

----

 

Het idee dat we origineel moeten zijn

hebben we gewoon

overgenomen van anderen

 

----

 

Mannen!

Morgenochtend slapen we uit

en morgenmiddag vallen we aan!

 

----

 

Gelukkig wantrouwde ik haar

Dan kon ik zelf ook eens

oneerlijk zijn

 

----

 

We hebben wel elkaar beter leren kennen

maar niet onszelf

 

----

 

Een ezel stoot zicht in ’t gemeen

geen twee keer

aan dezelfde steen

 

Ezels kunnen danook

nog steeds niet tot tien tellen

 

----

 

It’s very impolite

to demonstrate

when the Queen

is having her period

----

 

Wacht maar

tot je begrijpt wat ik bedoel

 

----

 

Het toetje

smaakte als

een typische spin off

van de petro-chemische industrie

 

----

 

Je kunt er wel serieus over blijven

maar dan zijn er altijd wel anderen

die erom moeten lachen

 

----

 

Om het gebrek aan sfeer te compenseren

hadden ze de prijzen maar eens

flink verhoogd

 

----

 

M’n probleemstelling is misschien wat vaag

maar ik verzeker u

dat m’n conclusie om den drommel

niet mis te verstaan zal zijn 

 

----

 

Wanneer je niet weet waar iets voor is

kun je het altijd op vele manieren

gebruiken

 

----

 

Staring at

a staircase

 

posted @ 9:04 PM | Feedback (3)

Wednesday, November 05, 2008

Stedenbouw in de Verenigde Staten

AMERIKA IN DE SCHADUW VAN DE DROOM 

Impressies van een excursie naar Las Vegas en Phoenix voorjaar 2008. 

 

Rare jongens

Onze eerste verblijfplaats was Las Vegas. De centrale as van Las Vegas, ‘the strip’, wordt geflankeerd door een indrukwekkende verzameling decorstukken die voor een groot deel naar de geschiedenis van de Europese cultuur verwijzen, een cultuur die verder geen enkele rol speelt, want binnen, achter de coulissen, bevinden zich hectares, van vaste vloerbedekking voorziene, hallen, gevuld met gokmachines en rokende, drinkende en snackende Amerikanen, die niet meer weten of het nu dag of nacht is. Want om het verblijf van gokkers in de casino’s zo lang mogelijk te rekken zijn er geen ramen in aangebracht waardoor de ochtend naar binnen zou kunnen krieken.  

Dit alles gaf me een gevoel van bewondering en verbazing, hoe hebben ze het bedacht, en wat hebben ze het mooi gemaakt, maar ook van afkeer en onzekerheid: waar gáát dit over, waar zijn ze hier mee bezig? Is dit waar elke Amerikaan van droomt? Om toch minstens één maal in zijn leven, maar liefst natuurlijk vaker, een bezoek te brengen aan Las Vegas, het icoon van de ultieme Amerikaanse cultuur? En onwillekeurig dacht ik, vrij naar Obelix: ‘rare jongens die Amerikanen’.  

 

Beter dan het origineel

Na de strip hebben we ook enkele buitenwijken Las Vegas bezocht. Uitgestrekt en duidelijk op het gebruik van de auto gebaseerd.  En uitgerust met toegangspoorten en muren. Het wilde westen is kennelijk nog steeds erg gevaarlijk!

Voor de architectuur werd ook hier weer op Europees beeldmateriaal teruggegrepen. Zo hebben we heerlijk geluncht in Montelago, met uitzicht op wat gondels en de Ponte Veccio. Als je deze mooie replica ziet, dan kun je het bouwvallige en door de tijd aangetaste origineel gerust afbreken.

 

 

Ponte Vecchio in Florence

 

 

 

 

Ponte Veccio in Montelago; beter dan het origineel.  

 

Fear driven

Later hebben we Phoenix aangedaan. De stedebouwkundige opzet verschilt hier niet van die van de meeste Amerikaanse steden en is gebaseerd op het rechthoekig grid. Dat hoeft nog geen probleem te zijn, zo’n grid is een mooi open systeem, met vele mogelijkheden.

Maar hoe gebruik je het? Nan Ellin, van de universiteit van Phoenix, vertelde ons in haar lezing dat bij stedebouw drie aspecten essentieel zijn: economie, ruimtelijke vorm en sociale cohesie. Maar, en we dachten dat al te zien, in hoe het grid gebruikt wordt is het eerste aspect maatgevend.

En daar kan het tweede aspect, de ruimtelijke kwaliteit, dan wel eens onder lijden. Want wat niet rendeert na 5 of 10 of 20 jaar, wordt afgebroken en door iets nieuws vervangen. En zo is de stad voortdurend in beweging. Dat kun je, aangestoken door het enthousiasme van Rem Koolhaas over de ‘Generic City’, uit volle borst toejuichen, maar het is de vraag hoe ‘real life’ bewoners dit ervaren. Want door het voortdurende veranderingsproces laat de geschiedenis bijna geen sporen na. Alleen een decorstuk verwijst hier en daar naar een (geleende) historie. Maar dat wordt over een paar jaar misschien ook weer afgebroken.       

Daarbij komt dat de stad nauwelijks openbare ruimten kent. Want openbare ruimten kosten geld. Publieke ruimten zijn er echter wel, want deze kunnen winstgevend zijn. Hier kun je terrasjes maken met horecagelegenheden of winkels en ziedaar, het geheel is exploitabel. Maar zo komt met de leidende rol van het economisch krachtenspel niet alleen de ruimtelijke vormgeving in het gedrang, maar ook het derde aspect, de sociale kant van de stedebouw... want de stad is nu letterlijk ‘in bezit genomen’ door ontwikkelaars en uitbaters, terwijl de bewoners, alleen nog maar als brave, geïndividualiseerde consumenten bij de eersten op de koffie kunnen komen. Is dit genoeg voor bewoners om zich te engageren?

Kunnen zij zich een dergelijke stad nog eigen maken, een stad die geen historie laat zien (of het moet de geleende historie zijn van een aantal decorstukken) en een stad waar zij, als consument, en als individu, op bezoek zijn. Misschien geeft dit eerder onzekerheid, identiteitsverlies en angst. Dat zou een verklaring kunnen zijn voor de vele mijlen Berlijnse muur waarachter zij zich, in hun huizen, hebben teruggetrokken. Voor de veiligheid. Stedebouw in Amerika is ‘fear driven’, aldus Nan Ellin.

 

Maar ben ik nu niet een beetje te somber? En weinig realistisch? Ik bedoel, wat nu in Amerika gebeurt, zal over 10 jaar ook bij ons gebeuren. We hebben het hier wel over de vooruitgang, en die hou je niet tegen. En je weet dat je, door je daartegen te verzetten, verdacht veel gaat lijken op die mopperende kereltjes in de loge, van de muppetshow. Althans, dat is het stempel dat adepten van het primaat van het primaat van de economie al gauw voor je klaar hebben liggen.      

Maar wacht even, wie bepaalt hier wat vóóruit is en wat áchteruit? Als we nu eens vertrouwen op ons eigen oordeelsvermogen. We zijn, als we nog 10 jaar hebben, misschien juist op tijd om te onderzoeken hoe we ons verre kunnen houden van een ‘fear driven’ stedebouw. We waren toch in Amerika om iets te leren, en niet om trends te watchen en deze mee naar huis te nemen...   

 

Centrum zonder stad

Wat ik erg leuk vond was de ghosttown ‘The Lost Dutchman’. In eerste instantie vanwege de romantiek was dit nu ook een decor, of was het per ongeluk echt oud? Een vraag die irrelevant werd op het moment dat ik me realiseerde dat deze sporen van primitief ondernemerschap een heel bruikbaar concept leverden om onze eigen verrommeling tegen te gaan.

 

Een cowbodorp: alleen centrumvoorzieningen...

 

Cowboydorpjes als dit bestonden namelijk alleen uit centrumvoorzieningen. Zonder woonbuurten of wijken eromheen. Dat kennen we niet in Europa! Daar moet je oog op vallen. De cowboys die er kwamen woonden allemaal ver weg, in de omstreken. Zo’n dorp was een ‘centrum zonder stad’, een concept dat wellicht ook een rol zou kunnen spelen om de verrommeling tegen te gaan: we kunnen centra maken, bovenstedelijke centra, met verschillende bovenstedelijke voorzieningen, en dan zonder woningen eromheen. Door de nu nog verspreid liggende kantorenparken, bedrijvenparken, megabioscopen, kartingbanen, dierentuinen, pretparken, golfbanen, restaurants, motels, meubelboulevards en autoshowrooms bij elkaar te voegen tot gevarieerde centrumgebieden, kunnen we de voordelen van een ligging aan het snelwegennetwerk behouden en tegelijkertijd een aanzet geven tot een nieuwe vorm van (boven)stedelijkheid. In plaats van verrommeling dus.

 

In de schaduw van de droom

Amerika was lange tijd het land van de toekomst. Een toekomst waar ‘vrijheid’ zou heersen. Een begrip dat vooral vertaald werd als ‘ondernemersvrijheid’. Iedereen lekker aan de slag, en als je maar wil is succes verzekerd. Want ‘succes is een keuze’. Een zonnige toekomstdroom. Maar zoals we gezien hebben heeft deze, behalve voor zon, ook voor schaduw gezorgd. Ondernemend Amerika steunt, zoals in Las Vegas, op beelden die referen aan de geschiedenis van andere culturen. Vlaggen die op geen enkele wijze de lading dekken: speelautomaten.

In gewone steden, zoals Phoenix, leidt de droom over het vrije ondernemerschap tot het ontbreken van verwijzingen naar de historie. En tot de transformatie van openbare in publieke ruimten. Waar stedelingen worden getransformeerd tot individuele consumenten, op bezoek in eigen stad.

Wat betekent de oude droom van het vrije ondernemerschap en succes nu voor het leven van de Amerikaanse stedeling? Beelden die verwijzen naar andermans historie, het ontbreken van verwijzingen naar de eigen historie, geïndividualiseerd en op bezoek in eigen stad. Is het daardoor dat zij, ‘fear driven’ troost en bescherming zoeken achter grijze muren die hun woonbuurten omringen?

In de schaduw van de droom wordt een nieuw Amerika zichtbaar, klaar voor nieuw onderzoek, en nieuwe ontdekkingen...    

 

Flip Krabbendam

posted @ 8:54 AM | Feedback (1)

Wednesday, June 18, 2008

Aforismen 11

 

 

Beken het maar

ik zie het aan je gezicht.

 

Je hebt gelachen

 

----

 

Ik ben best wel een beetje

een macho-man.

Maar m’n vrouw houdt daar dus

totaal geen rekening mee

 

----

 

-Wat doe jij hier nog?

 

-Ik wacht tot het saai wordt

 ik bedoel, écht saai

 

----

 

-Jij stelt van die vragen

 daar weet niemand een een antwoord op

 

-Dan moet Niemand wel heel knap zijn!

 

----

 

De sterrenhermel

Zoveel verlaten kampvuren

 

----

 

Ik weet ook wel

dat we een probleem hebben

Maar aan de andere kant:

het is pas half tien.

En dát valt dan weer reuze mee!

 

 

----

 

Wat zit ik toch

om me heem te kijken...

Oh ja, ik zoek de TV gids

 

----

 

Ik zou bergen kunnen verzetten

maar ik wéét gewoon

dat dat

geen enkele zin heeft

 

----

 

Toen was het

Make up your mind

 

En nu:

Mind your make up

 

----

 

Ze praatte zo hard

dat ik m’n pilsje niet meer proefde

 

----

 

Wacht maar

tot m’n geduld op is

 

----

 

Een dreigend gelach

steeg op

uit het stadion

 

 

 

posted @ 10:13 AM | Feedback (1)

Friday, January 04, 2008

Magie in de wetenschap

Onttovering of bezwering?

 

-Werpen met kometen

De wetenschap zou de wereld ‘onttoverd’ hebben. Waardoor ieder die zich op de wetenschap oriënteert in een saaie grijze wereld leeft. Zonder geheim, zonder poëzie. Dat was vroeger wel anders! Zo waren er in de middeleeuwen nog heksen en tovenaars die mensen beter konden maken, of ziek, die bladeren  konden veranderen in geld en die de toekomst konden lezen uit een glazen bol. Ook de Schepper blies zijn partijtje mee, als hij kometen lanceerde om tot het kwaad geneigde aardbewoners te waarschuwen, om belangrijke gebeurtenissen aan te kondigen of om de loop der planeten bij te stellen.

 

 

Kometen om aardbewoners te waarschuwen, belangrijke gebeurtenissen aan te kondigen of de loop de planeten bij te sturen.  

 

Maar met de ontwikkeling van het wetenschappelijke denken werd de natuur meer en meer begrepen als een serie van mechanismen die konden worden beschreven in wiskundige formules. De geheimen en de poëzie verdwenen, en alles zou voorspelbaar worden.

 

-Meten en wegen

De filosoof en wiskundige Descartes speelde hierin een belangrijke rol. Hij had zich, methodisch twijfelend, afgevraagd wat er van onze ervaring nu echt betrouwbaar was. Want konden onze zintuigen ons niet altijd bedriegen! Wat waren een kleur, een geur of een geluid... bestonden die wel echt? Of waren dat effecten die door onze zintuigen zélf werden geproduceerd? Hij kwam tot de conclusie dat alleen de indrukken van substantie en uitgebreidheid van de werkelijkheid buiten ons afkomstig waren. Dus dat alleen dat wat je kon meten en wegen vertegenwoordigde de werkelijkheid. Alle ervaringen die daarbuiten vielen waren niet meer dan effecten van de zintuigen, illusies, waar je je niet door moest laten misleiden.

 

-Onttovering

Deze gedachte leeft nog steeds voort in de wetenschap. En dan vooral in natuurwetenschappen. Kwantificeerbaarheid staat hier nog steeds voor objectiviteit en zo beperkt men zich tot kilogrammen, meters, seconden, ampères, temperatuurgraden en candela’s, want deze zogenaamde grondeenheden zijn kwantificeerbaar. Massa, lengte, tijd, electrische stroom, temperatuur en lichtsterkte kunnen alle in getallen worden uitgedrukt.

En als we getallen beschikken dan kunnen we deze invoeren in wiskundige formules om zo de causale samenhang tussen de verschillende eenheden te beschrijven. En daarmee te voorspellen. Het idee is dat we op den duur alle mechanismen die in de natuur voorkomen, wiskundig kunnen beschrijven, waarmee we ook alles kunnen voorspellen. En dan zullen we merken dat er geen ruimte meer overblijft voor heksen, tovenaars of andere bovennatuurlijke krachten die de door de natuur gegeven causaliteit zouden kunnen  doorkruisen. En daarmee is de wereld is onttoverd. En dat kun je betreuren, zoals Albrecht Dürer, die vond dat de nadruk op wiskunde tot melancholie leidde.   

 

 

 

Albrecht Dürer: te veel aandacht voor wiskunde kan leiden tot melancholie

 

-Tegenwerpingen

Nu kun je je kwaad maken over de onttovering omdat de wereld hierdoor pijnlijk saai wordt. Hoho, roept een koor van wetenschappers dan, wetenschap is een avontuur en juist in de wetenschap kun je zien hoe mooi de natuur in elkaar zit.

Jajaja, maar die voorspelbaarheid dan, zijn wetenschappers niet eigenlijk de boekhouders van het universum?

Hier zullen wetenschappers tegenwerpen dat het met de voorspelbaarheid bij nadere beschouwing ook wel weer meevalt. Er zitten nog vele gaten in het wetenschappelijk bedrijf: zo kan de wereld van de grote getallen worden beschreven met de relativiteitstheorie, maar op atomair niveau geldt dan weer de kwantenmechanica en deze beide beschouwingswijzen passen niet aan elkaar...  Het lukt ze dus niet, maar ondertussen streeft men in de wetenschap evengoed toch naar eenheid! Naar een theorie waarmee alles beschreven kan worden.  

 

 

 

De snarentheorie van Edward Witten: een poging bestaande natuurwetenschappelijke theorieën tot een eenheid te brengen

 

-Boekhouding

Tegenstanders van het wetenschappelijk bedrijf, die vinden dat wetenschap in de grond van de zaak neerkomt op een geestdodende boekhouding, roepen smalend dat het met die eenheidstheorie toch nooit zal lukken. En daarbij beroepen ze zich niet zelden op kennis van bovennatuurlijke verschijnselen die stamt van voor de tijd dat Donar nog zelf voor de donder en de bliksem zorgde. Kennis die al sinds eeuwen door wetenschappers wordt afgedaan als illusoir. Maar ligt hier de kern van het probleem? Zouden we ons massaal moeten toeleggen op oude toverkunsten om aan het dodende oog van de wetenschap te ontkomen, om de onttovering een halt toe te roepen?       

Laten we nog eens naar de boekhouding kijken. Toegegeven, de getallen en de formules lijken voorbestemd om ons te onttoveren. Maar de grondeenheden, de meters, seconden, kilogrammen, ampères, temperatuurgraden en candela’s, dat wil zeggen afstanden, tijd, massa, stroom, temperatuur en licht, zijn die ook allemaal onttoverend? Deze kwaliteiten die we in de wereld kunnen ontdekken zijn kwantificeerbaar, maar maakt ook dat daar niets bijzonders aan te beleven is?     

 

-Bezwering

Het feit dat kwaliteiten in wiskundige vergelijkingen zijn onder te brengen die hun werking voorspelbaar maken, betekent nog niet dat deze kwaliteiten zelf geestdodend zijn. Of moeten leiden tot melancholie.        

Als we de ruimtelijkheid van de wereld, ontwikkelingen in de tijd, de weerstand van een massa, de prikkeling van een elektrische stroom, de warmte, de kou, en het verschijnsel licht, op ons in laten werken, dan kunnen we toch zeggen dat we in een geheimzinnige en betoverende wereld leven. Wat is een meter, behalve 100 centimeter, wat is een uur, behalve 60 minuten, wat is een kilogram, behalve 1000 gram, wat is een ampere, behalve 1000 miliampère, wat is kou, behalve minus 250 Kelvin, wat is 1 candela, behalve dat we kunnen zeggen dat 100 candela net zoveel is als het licht van een grote gloeilamp... Als we kijken naar de kwaliteiten waar de grondeenheden naar verwijzen, wat zien we dan, als we afzien van kwantificering? Blijkt dan niet dat we in een wereld leven die alle bovennatuurlijk getover overbodig maakt!

Nu is de wereld van kwaliteiten waar we ons in geplaatst zien door haar onverklaarbaarheid misschien niet alleen betoverend, maar ook verontrustend, zo verontrustend dat de boekhouders van de wetenschap eenzijdig de nadruk hebben gelegd op de causaliteit die zij erin konden ontdekken. Waarbij zij de formules van de wetenschap hebben gebruikt als toverformules om de verontrustende contingentie van de ons omringende wereld op magische wijze te bezweren. Daardoor lijken zij misschien wel meer op hun magische opponenten dan zij zelf denken.

 

 

Een magische opponent van de wetenschap  

 

-Objectief

Wat sommigen zien als de zon over een besneeuwd landschap schijnt, of wat zij ervaren als ze bij stormachtig weer langs de zee wandelen, of als hun vliegtuig boven de wolken uitstijgt, dat geldt ook als het motregent of als de zon de hele wereld in stof en zweet verandert... de wereld is betoverend in die zin dat haar hele palet van kwaliteiten onverklaarbaar is.

Waarom zouden wetenschappers deze betovering willen bezweren? Als zij werkelijk objectief zijn kunnen zij de wereld toch ook in haar betoverende waarde laten?            

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

posted @ 4:35 PM | Feedback (2)

Monday, December 10, 2007

Euforismen 10

 

Je moet een confrontatie

ook

uit de weg durven gaan

 

----

 

Weet je wat vervelend is?

Je bent met iemand in een café

en hij staat op

drinkt het laatste restje uit je glas

en zegt

‘Kom we gaan’

 

----

 

Kunst

Het onzegbare

van de daken schreeuwen

 

----

 

Ik heb dan wel geen aanspraak

ik heb wel een plan

Als ik dit pilsje op heb

ga ik lekker naar huis

 

----

 

Waar geen leven is

is hoop

 

---

 

Vrede?

Wow

dat lijkt me wel te gek

best wel prima of zo

als dat zou kunnen

 

----

 

Hoe harder het waait

hoe langzamer de tijd gaat

in dit oude kraakpand

 

----

 

Ben ik tegenwoordig

brutaler dan ooit

 

Of denk ik dat

omdat ik nu banger ben?

 

----

 

Heb je wel zin

in wat je wil?

 

----

 

Ik troost me met de gedachte

dat het m’n eigen schuld is

 

----

 

Wees nou eens verstandig

en laat je gevoel spreken

 

----

 

-Waarom maak je me altijd zo nieuwsgierig?

 

-Aha

 Dat zou je wel eens willen weten!

 

----

 

Ik ben het

zo roerend met je eens

dat ik me geen raad weet

 

----

 

Doet u nou maar niet

zo uit de hoogte

 

Per slot van rekening

was u ook maar gewoon

een ongelukje

 

 

 

posted @ 7:14 PM | Feedback (0)

Thursday, October 11, 2007

Spiritualiteit, zingeving en ethiek

Spiritualiteit

mag geen naam hebben

 

 

Leefregelreligies

Zingeving en ethiek berusten bij officiële religies op het hoogst denkbare gezag, op het gezag van de Schepper van hemel en aarde. Maar helaas is het bestaan van een dergelijke Schepper een omstreden zaak. En bovendien, hoe hoog het ook is, gezag is niet genoeg. Of we instemmen met de op ons neergedaalde zingeving en ethiek hangt uiteindelijk van onszelf af. Religies kunnen, ondanks het beroep dat zij doen op het hoogste denkbare gezag, toch niet overal mee aankomen. Ook niet als zij de leefregels waarin de ethiek en zingeving zijn geconcretiseerd, voorzien van een beloning (de hemel) of van een sanctie (de hel). Uiteindelijk bepalen we zelf wat zin heeft, wat goed en kwaad is, en in welke leefregels we dat willen vatten. In de geschiedenis zijn er hierdoor regelmatig nieuwe afsplitsingen van religies ontstaan, afsplitsingen die beter pasten bij wat mensen zelf dachten dat goed was.

 

Op eigen benen

Er zijn ook altijd mensen geweest die besloten hebben de hele op gezag en leefregels gebaseerde religieuze benadering te verlaten. Eenmaal op eigen benen wordt het echter pijnlijk duidelijk dat je eigenlijk niet weet hoe je dat doet. Hoe besluiten we over wat zin heeft, en over wat goed en kwaad is? En waar kun je terecht met deze vraag.

 

Wetenschap

Sinds de Renaissance speelt de wetenschap een belangrijke rol als manier om de wereld te benaderen. Maar als we hier te rade gaan, dan horen we eerder iets over waardevrijheid dan over zingeving en ethiek. Op dit punt is de wetenschappelijke benadering van de wereld kaal en leeg.

 

Filosofie

Sinds de renaissance hebben ook filosofen zich beziggehouden met de vraag hoe de wereld in elkaar zit, en daarbij hebben zij zich wel met zingeving en ethiek beziggehouden. Maar filosofie is over het algemeen zware kost, alleen voor de liefhebber. Niettemnin wil ik het wagen om de lezer te vermoeien met een korte filosofische beschouwing.    

Als we naar religieuze benaderingen kijken dan zien we dat deze de wereld willen verklaren door een schepper ten tonele te voeren. Maar waar deze schepper vandaan komt, dat vermeldt de religieuze historie niet. En doorvragen op dit punt leidt kan in eerste instantie leiden tot een poging om de kritische vragenstellen in te lijven met een ‘God is zo groot, dat kunnen wij niet begrijpen' Wij? Doorvragen kan dan gemakkelijk tot irritatie leiden, en tot een autoiritair antwoord: 'Wie denk je wel dat je bent!'

 

 

 

Wie denk je wel dat je bent!  

 

Deze irritatie is vergefelijk, want met de gestelde (en voor de hand liggende) vraag wordt de basis van de religieuze benadering in één keer ter discussie gesteld. Maar het kleineren van de vragensteller is misschien niet zo vergefelijk. Hier wordt weer duidelijk hoe de religieuze benadering op gezag is gebaseerd. We moeten onze plaats kennen, we hebben hier te maken met een groot gezag, waar wij maar heel klein bij zijn. Maar als we van de schrik bekomen zijn kunnen we ons niettemin afvragen of de religieuze benadering nu eigenlijk wel werkt. Wordt de wereld begrijpelijk door deze te verklaren door middel van iets dat evenhard om een verklaring vraagt?        

Kijken we naar de wetenschappelijke benadering van de wereld, dan zien we ook hier een poging de wereld begrijpelijk te maken, maar het vreemde is dat er hier op het punt van zingeving en ethiek geen uitspraken zijn gedaan. De wetenschap heeft toch ook de menselijke ervaring onderzocht?

Zo is uitgebreid onderzocht welke stroompjes er lopen en welke stoffen er worden geproduceerd in onze hersenen bij verschillende ervaringen. Als we kaas eten of met een slee van de berg roetsjen. Maar is onze ervaring daarmee begrijpelijk geworden? Aan de stroompjes en de chemische omzettingen kun je niet zien dat het om de ervaring van kaas gaat of om de ervaring van snelheid.

 

 

  

Hoe in de wetenschap de werking van de hersenen wordt ervaren.  

 

Hier zijn we op een wezenlijk punt beland. De ervaring wordt in de wetenschap niet verklaard. Er worden wel verbanden gelegd tussen verschillende manieren om te ervaren, tussen de ervaring een proefpersoon die kaas eet en de ervaring van een wetenschapper die stroompjes meet en chemische omzettingen signaleert. Dit aanzien voor een verklaring dan zou er op neerkomen dat de ervaring werd verklaard uit ... de ervaring. Een cirkelredenering! Dat een verklaring in de wetenschap niet mogelijk is, komt dus niet voort uit domheid of nalatigheid, het gaat hier om een onmogelijke opgave! Er is niets dat de ervaring kan verklaren.        

Hoe we de wereld ervaren, is gebaseerd op iets onverklaarbaars, en daarmee is ons leven fundamenteel iets geheimzinnigs. Als we ons dit realiseren kunnen we misschien beginnen ons een oordeel vormen over zingeving en ethiek. In plaats van dat we ons, kleingemaakt, overgeven aan religieuze leefregels. In het vertrouwen dat het dan wel goed komt. Een vertrouwen dat bij sommige gelovigen zo ver gaat dat ze hun kinderen niet laten inenten.    

In de twintigste eeuw is de onverklaarbaarheid van de ervaring gethematiseerd in de filosofie van het het existentialisme. Maar het existentialisme heeft hier niet het alleenrecht op. Al in oude oosterse levensbeschouwingen kwam naar voren dat doorvragen naar de oorsprong van de ervaring geen zin heeft. Het is de vraag of deze levensbeschouwingen toegankelijker zijn dan de westerse filosofie van het existentilisme, maar in elk geval zijn er heel wat mensen geweest die hier op onderzoek zijn uitgegaan.  

 

Boeddhisme, Taoisme en Zen

In het Boeddhisme wordt aangeraden de ‘ketenen van oorzaak en gevolg’ te verbreken. Denk niet dat alles verklaarbaar is, doorbreek de ketenen van de causaliteit.

In het Taoïsme wordt je aangeraden om de Tao te volgen, ‘de weg’, maar wie daar nadere uitleg over vraagt krijgt te horen dat de Tao niet kan worden uitgelegd, dat de ware Tao ‘onzegbaar’ is.

Bij Zen worstelen monniken jarenlang met koans, logisch onoplosbare raadsels, tot op het punt dat zij er aan toe zijn om het zoeken naar causale verklaringen achter zich te laten en ‘verlicht’ worden.

 

 

 

De causaliteit voorbij.                                                               Pop van Anne Mannaerts

 

De benadering verschilt, maar elke keer gaat het om een levenshouding waarin het onverklaarbare de hoofdrol speelt. Heel inspirerend voor degenen die op zoek zijn naar een zingeving en ethiek die gebaseerd is op de eigen ervaring en die daar in de religie en in de wetenschap geen aanknopingspunten voor vonden.     

 

New Age en spiritualiteit 

Veel westerlingen hebben zich in de loop van de tijd al bezig gehouden met oosterse denkwijzen

en zij hebben daar hun conclusies uit getrokken op het gebied van zingeving en ethiek. Deze hebben een plaats gevonden in de zogenaamde New Age beweging. En om aan te duiden dat er bij de ervaring sprake is van iets geheimzinnigs, dat het om iets anders gaat dan om de causaliteit en om de verklaarbare werking van de zintuigen, dat er sprake is van iets dat ongrijpbaar is en niet materieel, spreekt men hier van ‘spiritualiteit’. Maar heeft men hiermee ook de essentie weten te bewaren? Misschien niet altijd.  

 

Alles is mooi

Als je, met de Boeddhisten, de keten van oorzaak en gevolg kunt doorbreken, als je beseft dat essentiële levensvragen niet in de sfeer van de causaliteit zijn te beantwoorden, dan kun je vrede vinden, dan kun je het lijden achter je laten. Maar deze gedachte komt in New Age niet altijd even goed tot z’n recht. Spiritualiteit en vrede hebben iets met elkaar te maken. Besef van de onverklaarbaarheid van de ervaring maakt dat je vrede kunt hebben met het bestaan zonder gestoord te worden door de verkeerde, door causaliteit getekende vragen, door de verkeerde antwoorden en door even verkeerde wensen die daaruit voortvloeien.

 

 

 

De wereld is mooi.

 

Maar soms lijkt men in de New Age beweging de conclusie te hebben getrokken dat spiritualiteit betekent dat je overal vrede mee kunt hebben, dat de wereld in alle opzichten mooi is. Bij alle honger, ziekte en onrechtvaardigheid in de wereld blijven zij glimlachen, spiritueel als ze zijn.             

 

De natuur

Dat de ervaring zich onttrekt aan de causaliteit, wordt ook tot uitdrukking gebracht als Taoïsten wijzen op het ‘onzegbare’ karakter van de weg. Op het feit dat een wijze levenswandel niet in woorden te  beschrijven is, niet in een handleiding is onder te brengen. In westerse termen kunnen we zeggen dat ervaringen spontaan zijn, en als je je ervaringen serieus wilt nemen, dan moet je je spontaniteit de kans geven. En dan kun je je levenswandel niet vantevoren in een schema vastleggen. Als je inziet dat spontaniteit van wezenlijk belang is voor je ervaring, voor de manier waarop je in de wereld staat, dan kun je je leven niet inpassen in kunstmatige strukturen. Dat zou onnatuurlijk zijn. In de sfeer van New Age zie je deze gedachte ook wel vertaald in de

aanbeveling dat we de natuur moeten volgen. Spiritualiteit betekent dan: begrijpen dat we leven   

 

 

 

Leven onder het gezag van de Natuur die het goed met ons voorheeft.           Copyright foto: Todd Gustavson

 

waar het gezag van de Natuur geldt. Waar de Natuur de leefregels uitdeelt. En vertrouwen dat de Natuur het goed met ons voorheeft en dat het wel goed komt als we ons daaraan overgeven. Maar een vertrouwen in gezag en leefregels, hadden we dat niet al achter ons gelaten?                

 

Gevoeligheid

Een Zen monnik probeert zijn geest leeg te maken. Door de geest vrij te maken van opgelegde causale denkschema’s scherpt hij zijn intuïtie en wordt hij gevoelig voor de meest subtiele ervaringen die kunnen ontspruiten aan de geheimzinnige bron van onze ervaring.

In de westerse wereld van de New Age staat gevoeligheid dan ook hoog aangeschreven. Gevoeligheid voor ervaringen die vallen buiten het bereik van door de westerse cultuur opgelegde beperkingen. Gevoeligheid voor telepatie, aura’s, chakra’s, aardstralen, reinigende geuren of helende klanken. Of voor de ‘energie’ die uit de natuur of de kosmos op ons afkomt om ons te vertellen wat goed en wat slecht voor ons is. Nu kun we ons afvragen wat het waarheidsgehalte is van al deze buitengewone ervaringen, en wat daarmee de waarde is van de buitengewone verrichtingen die in het verlengde daarvan liggen, maar als we erkennen dat onze ervaringen op onverklaarbare wijze ontstaan, dan is het moeilijk onderscheid te maken. Gaat het om pretentieuze verzinsels of ontbreekt het je aan de vereiste gevoeligheid?

De wereld van de New Age is heel gevarieerd en wie zal zeggen hoe deze zich zal ontwikkelen en wat waardevol zal blijken te zijn. Maar ook zonder de juiste gevoeligheid voor bovengenoemde buitengewone ervaringen, kun je hier toch een bepaald soort nattigheid voelen. Namelijk daar waar de gevoeligheid voor buitengewone ervaringswijzen wordt vereenzelvigd met spiritualiteit. Een misverstand dat velen ertoe heeft geinspireerd om anderen te vermoeien met de eigen, verheven gevoeligheid.   

 

 

 

Spiritueel dankzij de nachtkijker.

 

Maar wat is er zo spiritueel aan een buitengewone gevoeligheid? Ben ik met een nachtkijker ook spiritueel, omdat ik dan in het donker kan kijken, daar waar gewone stervelingen niets kunnen zien?

 

Zoeken zonder naam

Bij het zoeken naar zingeving en ethiek op basis van de eigen ervaring zijn we gestuit op de onverklaarbaarheid van deze ervaring. Het besef hiervan zouden we spiritualiteit kunnen noemen. Maar willen we nog wel varen onder deze vlag als deze ook gebruikt wordt, om onrechtvaardigheid en armoede onder te brengen bij de schoonheid van de wereld en om leefregels te ontlenen aan het Gezag van de Natuur.

Zo blijft alles hetzelfde: de armoede, de onrechtvaardigheid en de volgzaamheid op het gebied van leefregels. Alles blijft hetzelfde, of misschien gaan we er zelfs wel op achteruit, omdat de zoektocht naar zingeving en ethiek tot stilstand komt, waar spiritualiteit wordt verward met gevoeligheid. Wat is er gebeurd met het zoeken naar de betekenis die de geheimzinnige bron van onze ervaring zou kunnen hebben voor zingeving en ethiek, sinds we zijn gaan spreken over ‘spiritualiteit’? Is het misschien tijd voor een andere term, nu deze zich zo makkelijk laat verbinden met misplaatste schoonheidservaring, met gezagsgetrouw volgen van leefregels en met stilstand? Of zijn we beter toegerust voor onze zoektocht naar zingeving en ethiek, als we wél praten over het onuitlegbare en onzegbare, maar er géén naam aan geven? Wat een retorische vraag!    

 

Flip Krabbendam

 

posted @ 9:18 PM | Feedback (2)

Tuesday, July 31, 2007

aforismen 9

 

 

 

Satori kraaien

 

----

 

Marionetten

van eigen buikspreekpop

 

Gelovigen

 

----

 

Met dit mooie lenteweer

kan ik zoveel begrip opbrengen voor

kou, motregen en grijs weer

dat ik er bijna naar verlang

 

----

 

De explosie was weliswaar voorbij

maar de stukken

lagen nog overal in het rond

 

----

 

Je ziet er perfect uit

En dat zeg ik niet

om je te versieren

maar om je te vragen:

‘Hoe voelt dat?’

 

----

 

Ruzie?

Welnee

We weten alleen niet

wie het laatste woord moet hebben

 

----

 

-Zag je dat knipperlicht dan niet?

 

-Sorry, zeker te snel gekeken

 

----

 

Zeg ik dat het uiterlijk er niet toe doet...

Is ze opeens kwaad!

 

----

 

Nu kun je de discussie nog van me winnen

Maar wacht maar tot je

wat slimmer bent geworden

 

----

 

Een slager

naast een dierenarts

Dat zie je eigenlijk nooit

 

----

 

Ook na herhaald kijken

verscheen zij niet

 

----

 

Een lied

dat als een sleepnet

door je gevoel gaat

 

----

 

Wat een rust

Door haar stem

verging mij alle lust

 

----

 

Zwijgend kijkt de tandarts

mij in de mond

 

Tijd verstrijkt

 

En zo kritisch als ik kan

kijk ik hém intussen

onder in z’n neus

 

 

 tribune

 

posted @ 11:58 AM | Feedback (0)

stedenbouw en planning

De netwerkstad

en de onzichtbare stedebouwer

 

In de theorie van het netwerk gaat men ervan uit dat individuele handelingen leiden tot een samenhang op een hoger niveau die niet gecoördineerd hoeft te worden.

Dergelijke processen bestaan en waarom zouden ze niet op de stedebouw van toepassing kunnen zijn? We zouden van een heleboel zorgen en problemen verlost zijn als we alleen nog maar aan onze individuele handelingen zouden  hoeven denken, in de wetenschap dat deze vanzelf zouden leiden tot een  samenhang op een hoger niveau, zonder dat we hoeven te plannen of bij te sturen, zonder dat we achter de feiten aan te lopen, en zonder bestuursapparaat en uitvoerende diensten. 

 

Zwermen

Hoe een samenhang op een hoger niveau ontstaat kunnen we zien aan de manier waarop bijen of mieren die een volk vormen.

Dit is een geheimzinnig verschijnsel waarbij het lijkt dat er toch een soort centrale leiding is die de individuele handelingen stuurt. Om hier meer over te weten te komen heeft men een experiment uitgevoerd met gesimuleerde robotvogels. Deze werden alleen individueel geprogrammeerd en toch vormden zij een samen optredende zwerm. Zonder centrale leiding. Kevin Kelly beschrijft het experiment:

 

Er werd een vleermuis gecreëerd die naar hartelust met zijn vleugels mocht flapperen. Die ene vleermuis werd tientallen malen gekopieerd, totdat de animatoren een hele menigte hadden. Vervolgens kreeg elke vleermuis de instructie zich zelfstandig over het scherm te bewegen met slechts enkele eenvoudige regels die waren verwerkt in een algoritme: bots niet tegen een andere vleermuis, houd gelijke tred met je buren, ga niet te ver van de anderen vandaan. Toen de algoritmische vleermuizen werden ’losgelaten’, zwermden ze net als echte vleermuizen

 

(‘Zwermen en netwerken’ door Kevin Kelly, pag. 39, Oase nr. 53, SUN Nijmegen , april 2000)

 

Alle deelnemers van de zwerm staan in een gelijkwaardige verhouding tot elkaar en toch ontstaat er een duidelijke ordening.

 

De netwerkstad

Nu kan een gelijkwaardige, niet hiërarchische verhouding tussen de deelnemers ook mogelijk worden gemaakt door een netwerk van letterlijke verbindingen. En zo zou het idee van een ordening die ‘vanzelf’ ontstaat misschien ook wel toepasbaar zijn op stedebouw. Als er gezorgd wordt voor een netwerk van wegen dat niet hiërarchische, gelijkwaardige verbindingen tussen alle deelnemers mogelijk maakt, dan zou ook bij mensen ‘vanzelf’ orde kunnen ontstaan, zonder hiërarchie, zonder planners die van bovenaf het geheel in de hand proberen te houden en zonder alle problemen die daarbij horen.

Een fascinerende gedachte die niet voor niets al een hele geschiedenis heeft. In 1893 stelde Otto Wagner een ontwikkelingsplan op voor Wenen dat gebaseerd was op een netwerk. Gabriel Dupuy schrijft hierover: 

 

Gebaseerd op het idee dat de nieuwe transportmiddelen de sleutel waren voor de toekomstige ontwikkelingen van de stad en in tegenstelling tot de ‘klassieke’ stedenbouwkundige plannen voorzag het project van Wagner opzettelijk in geen enkele verdeling a-priori van de verschillende stedelijke elementen over de geografische ruimte. Industrie, woonwijken, kantoren, enzovoort worden geacht zich in het netwerk te nestelen volgens een eigen topologie, zonder rekening te houden met stedenbouwkundige zoneringen.

 

(‘Een herziene geschiedenis van netswerkstedenbouw’ door Gabriel Dupuy, geschreven in 1991, en in verkorte vorm gepubliceerd in Oase 53 pag. 7, april 2000)

 

Een experiment met het idee van de netwerkstad, in de verwachting dat stedelijke elementen zich in het netwerk zullen nestelen volgens een eigen topologie. Maar wat Dupuy niet vermeldt is wat een eigen topologie zou kunnen zijn, en waarom deze interessanter zou zijn dan wat hij noemt ‘klassieke’ plannen. Hoewel hij wel in het algemeen aangeeft waarom een netwerkstad de voorkeur verdient:

 

‘Het netwerk verhindert de scheiding tussen de stad en de moderniteit en geeft de stadsbewoner zijn menselijkheid, zijn stedelijkheid terug’

(pag. 24)

 

Ook Frank Lloyd Wright maakte plannen voor een netwerkstad, Broadacre City. Een stad zonder centrum of periferie. De auto is het medium en sociale contracten vinden niet langer meer in het centrum plaats maar in

 

‘elke afzonderlijke eenheid die verbonden is met de andere eenheden door middel van het raster van autowegen.’

(pag. 25)

 

 

               

 

                Plan voor ‘Broadacre City’, van de hand van Frank Lloyd Wright.

                Geen centrum of periferie, autowegen maken sociale contacten overal mogelijk.

 

De verwachting is duidelijk: stedebouw kan op een andere basis worden geplaatst, op een basis die recht doet aan de huidige stand van de techniek en aan de menselijke vrijheid. Dupuy zet zich hierbij af tegen de traditionele vormen van stedebouw die

 

‘zonering zien als een middel in de strijd tegen stedelijke anarchie en grondspeculatie’

(pag. 29)

 

Maandag in de Generic City

Het idee van de netwerkstad wordt ook verdedigd door Rem Koolhaas. Hij spreekt hier van de ‘Generic City’ omdat het ontstaan van voorzieningen in de netwerkstad een dynamisch proces is: de snelwegen van de netwerkstad zullen steeds nieuwe voorzieningen, woonwijken en ook gebeurtenissen genereren, die tijdelijk oplichten om daarna weer uit te doven.

 

The urban plane now only accommodates necessary movement, fundamentally the car; highways are a superior version of boulevards and plazas, taking more and more space; their design, seemingly aiming for automotive  efficiency, is in fact surprisingly sensual, a utilitarian pretence entering the domain of smooth space. What is new about this locomotive public realm is that it cannot be measured in dimensions. The same (let’s say ten-mile) stretch yields a vast number of utterly different experiences: it can last five minutes or forty, it can be shared with almost nobody, or with an entire population;  it can yield the absolute pleasure of pure, unadulterated speed - at which point the sensation of the Generic City may even become intense or at least acquire density – or utterly claustrophobic moments of stoppage – at which point the thinness of the Generic City is at its most noticeable.

 

(‘SM L XL’ door Rem Koolhaas, pag. 1251)                   

 

De snelweg maakt het mogelijk, alles kan overal, snel of langzaam, kort of langdurig, alleen of met velen. Spontaan, zonder centrale planning. Het netwerk van wegen zorgt voor een ordening van de stad, waarbij 'als vanzelf' voortdurende veranderingen en vernieuwingen worden gegenereerd. 

Volgens Koolhaas biedt de netwerkstad ons ruimte, in tegenstelling tot de oude steden, die een keurslijf vormen dat ons vasthoudt en belemmert. In tegenstelling met de Generic City die ons elke maandag weer verrast met een nieuwe identiteit. 

 

The Generic City is the city liberated from the captivity of the centre, from the straitjacket of identity. (…) If it gets too small, it expands. If it gets old, it self-destructs and renews. (…) it can produce a new identity every Monday morning     

 

(pag. 1249-1250)  

 

Paradox

Maar of de netwerkstad werkelijk tot iets beters zal leiden blijft een verwachting. Misschien wel noodgedwongen, want wie pleit voor een systeem waarin op onverwachte wijze nieuwe kwaliteiten zullen kunnen ontstaan, kan zijn verhaal niet vervolgen met een opsomming van wat er allemaal spontaan zal gebeuren. Dan is er sprake van een paradox.

Maar is een paradox hier niet onvermijdelijk? Want om een netwerkstad te realiseren moet er kennelijk over geschreven en gediscussieerd worden, allemaal op bovenindividueel niveau. En er zal heel wat over geschreven en gediscussieerd moeten worden voordat tot de bouw kan worden overgegaan. Moeten we denken aan een spoorwegnetwerk, een netwerk van wegen zoals Wright dat voorstelde, zou een  kanalennetwerk niet bepaalde voordelen bieden, of zou een mondiaal netwerk voor voetgangers de beste resultaten afwerpen?

Of moeten we denken aan een combinatie van verschillende netwerken, elk aangelegd op een eigen schaalniveau. Wat zou het beste zijn? Dat hangt weer af van wat we willen. Burencontacten of de spreiding van culturele voorzieningen, van industrie en van winkelfuncties? Om deze vragen te beantwoorden en om tot overeenstemming te komen zal er heel wat studie en overleg nodig zijn. De tegenstrijdigheid is onmiskenbaar. Om te komen tot een gebouwde omgeving die zichzelf op een verrassende manier boven het niveau van het individu organiseert, kunnen we niet vertrouwen op het systeem waar we aan bouwen: we kunnen niet vertrouwen op de acties van individuele stedebouwkundige planners, die onafhankelijk van elkaar allemaal gaan doen wat hen het meest opportuun lijkt, zodat uit de som van hun handelen spontaan het beste, dat wil zeggen het netwerk ontstaat, waaruit vervolgens steeds nieuwe kwaliteiten zullen ontspringen. Zij moeten, integendeel, eerst uitgebreid het verfoeide bovenindividuele niveau betreden om samen te overleggen. Maar dat doen mieren toch ook niet voordat ze aan hun mierenhoop gaan bouwen?

 

Nu zou men hier kunnen tegenwerpen dat zoiets alleen tijdelijk zal hoeven te zijn. Dat het netwerk zichzelf zal bewijzen, dat er na de bouw van de geschikte infrastructuur wel degelijk een stad van ongekende mogelijkheden zal ontstaan die voortdurend zal evolueren, zodat er dan toch ‘vanzelf’ steeds nieuwe en verrassende situaties zullen ontstaan, puur en alleen door individuele acties.

Maar ook dan bevinden we ons dan wel in een situatie waarin we hebben afgesproken geen afspraken te maken. En dat is niet alleen een theoretisch probleem.

 

De netwerkwoning

Want wie de moed heeft om een dergelijke opstelling in de privé-sfeer uit te proberen, wie zijn woning bewoont als een ‘netwerkwoning’ zal waarschijnlijk al snel tot de conclusie komen dat er geen enkele garantie is dat we ons, als het netwerk eenmaal in werking is, van verder commentaar, overleg en ingrijpen zullen kunnen onthouden!

 

De blinde stedebouwer

Moeten we zelf experimenteren? Zijn er geen praktijkvoorbeelden? Er is inderdaad een gebied waar men uitgebreid heeft geëxperimenteerd met een theorie over individueel handelen dat plaats vindt in een netwerk, zonder commentaar, overleg en ingrijpen en dat is het gebied van de economie. Het idee was dat een economisch systeem zo zou kunnen worden opgezet dat ieder individu kon handelen vanuit persoonlijke motieven en dat dit automatisch zou leiden tot een algemene economische situatie waar alle deelnemers baat bij hadden. Dit systeem werd dus door niemand geleid, het werd als het ware bestuurd door een ‘onzichtbare hand’ zoals Adam Smith het noemde in zijn ‘Inquiry into the nature and the causes of the wealth of nations’ uit 1776.

Inmiddels hebben we kunnen zien dat een economische laissez faire politiek ons een onzichtbare hand heeft getoond die tevens blind is, blind voor de schade die wordt berokkend aan een meerderheid van de deelnemers en aan het milieu.

Maar dit is een voorbeeld uit de economie... is er dan geen voorbeeld uit de praktijk van de stedebouw? Misschien wel. Als we kijken naar oinze snelwegen dan kunnen we daar gemakkelijk een netwerkstad in zien. Of een Generic City, die ervoor zorgt dat er overal aan de snelwegen kantoren, bedrijvenparken en meubelboulevards en autoshowrooms ontstaan. Elke maandag weer nieuwe kantoren, bedrijfsgebouwen en interessante showrooms.     

De onzichtbare stedebouwer is al jaren aan het werk. Het ziet ernaar uit dat hij ook blind is!

posted @ 11:51 AM | Feedback (0)

Saturday, January 06, 2007

Aforismen 8

 

 

 

Hostile make-over

 

----

 

Vroeg opgestaan

maar gelukkig nog wel gedroomd

dat ik aan het

uitslapen was

 

----

 

Nu gauw nog even uitrusten

Over een half uurtje

kunnen ze al hier zijn

 

----

 

-Zij:

Die zoon van ons,

wat een vreselijke vriendinnen

neemt hij toch altijd mee naar huis

 

-Hij:

Van wie zou hij toch

die slechte smaak hebben geërfd?

 

-Zij:

Nou, in elk geval niet van mij

 

-Hij:

Klopt, dat heeft-ie van mij

 

----

 

Nog doof van het concert

sliep ik de volgende ochtend

door de wekker

 

----

 

Je zou wel willen

dat je me kon vertrouwen

Jaja, lekker makkelijk

 

----

 

Ik kan het zo goed vinden

met m’n dokter

Ik kan me niet voorstellen

dat ik iets mankeer

 

----

 

Ja, sorry hoor

maar ik ben nu eenmaal

niet zo gevoelig

voor argumenten

 

----

 

Slightly bored

but optimistic

 

----

 

Vertel eens iets over jezelf

wat vond jij nou

van m’n laatste bundel?

 

----

 

-Jij bent altijd zo serieus

 

-Ach kom, laat me niet lachen

 

----

 

Toen ik voorstelde te gaan slapen

leefde ze weer helemaal op

 

----

 

Wees beschaafd

Red de wildernis

 

----

 

ontsnappend wiel

 

Car Race. Copyright: Sygma-Illustration-Keystone-Paris 1989

 

posted @ 9:49 PM | Feedback (1)

religie, wetenschap en filosofie

Geloof, ongeloof, filosoof

Wat komt er na de confrontatie tussen religie en wetenschap

 

Dat voel ik

Gelovigen hebben de gewoonte te doen alsof er nog nooit over religie is gediscussieeerd. Net als wanneer je tegen de bakker zegt dat z'n koekjes oudbakken waren, dat-ie dan antwoordt: 'Wat gek, daar hebben we nooit klachten over gehad'.   
Ik denk dat ze ook geen echte discussie willen. Ze willen geloven. Maar zeg niet tegen ze 'Oh, dus dat geloof je alleen maar' want dan blijkt dat er toch meer aan de hand is. Er is toch wel sprake van een bepaald soort zeker weten. Waar je met je vingers vanaf moet blijven. Als je dan vraagt 'Hoe weet je dat zo zeker?' dan is het antwoord 'Dat voel ik'. Daarbij kijken ze dan op een speciale manier, veelbetekenend, met een hoofdletter. Hier hoor je op te houden.       
Maar kennis, gebaseerd op 'Dat voel ik', ik weet het niet hoor, zou je een gelovige ervan kunnen overtuigen dat een bungy jump veilig is omdat de zwaarte en de lengte van de elastieken op het gevoel zijn bepaald? 

 

Hypothese houdbaar?

Je kunt geloof opvatten als een hypothese. Vervolgens kun je kijken of deze toetsbaar is. 

Eerst de hypothese, deze luidt: ‘Het universum is geschapen door een intelligentie die we traditioneel 'God' noemen’. 

Is dit een hypothese waar we vertrouwen in kunnen hebben?

De eerste vraag die we hier kunnen stellen is: hebben we zo'n hypothese wel nodig? Zou het universum er anders niet zijn? Zou er anders niets zijn? En hoe zou dat er dan uitzien, is dat wel denkbaar of bestaanbaar, geen universum?

Als we deze vraag nu eens even laten rusten en voor de discussie aannemen dat er ooit geen universum was. Dus eerst was er niets, ook geen leeg heelal, en nu is er een heel universum, compleet met sterren, supernova’s, rode dwergen, witte dwergen, zwarte gaten,  zwarte materie en planeten waarvan er minstens één bewoond is door levende wezens. Hoe kan dat, er moet iets gebeurd zijn. Maar wat? Het antwoord van gelovigen is bekend, Er is een God, of een ‘Intelligent Designer’ die op een welgekozen moment het universum heeft geschapen. Nu hebben we een verhaal om te begrijpen we waar het universum vandaan komt. Een verklaring. Hoewel…is het wel een verklaring? Of wordt het probleem hier alleen verschoven? Want als er helemaal niets was, waar komt dan God opeens vandaan? De Intelligentie die een ongelofelijk gecompliceerd universum heeft samengesteld. Daar was niet alleen een onschatbaar diep denkvermogen voor nodig, het was ook een enorm werk. Zwaar werk en tevens priegelwerk. En er waren nog geen machines. Onderschat dat niet, zou ik zeggen. Hoe is het mogelijk dat zo'n  intelligent en onvermoeibaar wezen al bestond voordat er verder nog maar iets was? Dat wezen kan er niet zomaar geweest zijn, dat moet wel geschapen zijn, misschien wel door een nog veel intelligenter wezen.

Een gelovige snoert je hier de mond. Wat een domme opmerkingen, en wat een godslastering bovendien.

Ik zou zeggen: het gaat hier om een hypothese die het probleem alleen maar verschuift. Die alleen in stand kan worden gehouden door een oneindige reeks klonen van zichzelf.   

 

En toetsbaar?

Laten we even vergeten dat de hypothese niets oplost, om te zien of zij eventueel toch te toetsen is. Per slot van rekening gaat het hier om een kennisclaim, namelijk: 'Er bestaat een God cq een Intelligentie die het universum geschapen heeft'.

Hoe komen we er achter of dat zo is, hoe kan dat bevestigd worden? Als iemand beweert dat het buiten regent dan is dat een uitspraak die je kunt verifieren door eens naar buiten te kijken. En als het dan inderdaad regent kun je zeggen: u heeft gelijk, ik kan uw uitspraak bevestigen. Maar zo gemakkelijk is het niet altijd, dat weet ik wel. Sommige dingen kun je niet direct waarnemen. Die moet je afleiden uit andere verschijnselen. De uitspraak 'God heeft, op voorspraak van paus Benedictus XIV, op 21 april 2007 het voorgeborchte voor onbepaalde tijd gesloten' is niet gemakkelijk af te leiden uit verschijnselen die wij waarnemen. Maar gelovigen zijn hier heel bedreven in. Uit de aard van de verschijnselen die zij in het universum waarnemen leiden zij af, niet alleen dat God bestaat, maar ook wat Hij met ons voor heeft. Nu is in de loop van de geschiedenis wel gebleken dat er vele interpretaties mogelijk zijn. Net als bij een Rohrschach test, waarbij blijkt dat iedereen iets anders ziet in een willekeurige inktvlek. Waar het hart van vol is, wordt in de inktvlek gelegd. Je wist het al, je voelde het al.

Misschien kun je ook zeggen dat de interpretaties van gelovigen op complot-theorien lijken. Waarbij zij vermoeden dat achter de schermen bepaalde krachten aan het werk zijn die ernaar streven om... vul maar in, er hebben in de loop van de geschiedenis al vele goden in vele complotten gezeten. Soms hadden ze het goed met ons voor, maar vaak ook moest je voor ze oppassen. Tot de gelovigen ze afdankten of moesten afdanken onder druk van andere, overtuigende of gewelddadige, gelovigen die andere goden en een ander complot meenden te bespeuren.

De hypothese is onhoudbaar, en pogingen om de hypothese te toetsen blijven speculatief en leiden tot tegenstrijdige conclusies. Dat is in de loop van de geschiedenis toch duidelijk gebleken. Hoe is het toch mogelijk dat gelovigen daar dan zo druk, en soms fanatiek, mee in de weer zijn geweest, eeuwen lang?

 

Botsende melkwegstelsels

 

Ethiek

Misschien nemen we het hele verhaal te serieus. Het gaat niet om een serieuze hypothese, en ook niet om een serieuze poging deze te verifieren. Het gaat bij religies om ethiek en zingeving.  

Op het punt van de ethiek is het een poging om stelen, moorden, verkrachten en ander verwerpelijk menselijk gedrag te kunnen veroordelen met Gezag.  Gelovigen kunnen hun ethiek zo definitief met hun geloof verbinden dat zij doodsbang zijn voor mensen die niet geloven. Die zijn immers van God los, daar kun je alles van verwachten. (Behalve misschien kruistochten, heksenverbrandig, de inquisitie, een donderpreek of een glimlachende pater aan de deur). Maar de ethiek van het geloof krijgt alleen kans als mensen ervoor kiezen om deze toe te passen. Het zijn de gelovigen die de richtlijnen van hogerhand van toepassing hebben verklaard. Dat geldt ook voor de 'ware' gelovigen die blindelings slavernij, steniging of de ondergeschiktheid van de vrouw verdedigen, omdat deze dingen in hun heilige geschriften voorkomen. Maar zij zijn 'blindelings' uit eigen verkiezing. (Als geloof nu op het gevoel gebaseerd is, vraag ik me hier trouwens af hoe zij de consequenties van hun zelfgekozen blindheid met hun gevoel kunnen rijmen)   

Nu gaat religie niet alleen door voor de bron van de ethiek, religie voorziet mensen ook van een grote Broer, die óók zegt dat je niet mag stelen, moorden en verkrachten. Een grote Broer, of eigenlijk meer een invloedrijke Vader, die iets heel hoogs is in het universum.  Pas dus maar op, want Hij zal zal, als het nodig is, op een goede dag met je afrekenen. Nu nog niet misschien, maar lach niet te vroeg, want na je dood kun je ook nog gestraft worden. Een dergelijke dreiging zou kunnen helpen, maar ik vraag me af of het middel, een Autoriteit, niet erger is dan de kwaal, de mogelijkheid van wangedrag. Want mensen die zich richten op het Gezag van een Autoriteit, verwarren  gehoorzaamheid met verantwoordelijkheid. Wat voor ethisch bewustzijn kun je daarvan verwachten?

 

Zingeving

Dan is er nog de zingeving. Religie voorziet mensen niet alleen van een ethische geschoolde en respectabele Vaderfiguur, maar ook van een zin in het leven. (Ik heb me overigens wel eens afgevraagd of de 'zin van' het leven niet net zo gek is als het 'nut in' het leven, maar dit terzijde.)

Stel dat iemand die niet weet wat hij met z'n leven aanmoet, bij je aanklopt. Hij ziet het niet meer zitten en vraagt je 'Wat moet ik doen'. Eerste reaktie: 'Je moet helemaal niks'. Maar dat helpt niet. Goed, je geeft de persoon een zetje. 'Waarom ga je geen vrijwilligerswerk doen, er zijn heel wat mensen die wel wat hulp kunnen gebruiken'.

Ook dit valt verkeerd, want iemand die 'het' niet ziet zitten, is hier ook niet voor in. 'Waarom zou ik, het leven van die mensen heeft toch evenmin zin, het heeft toch allemaal geen zin!' Iets van deze strekking.

Nu valt zo'n kwetsbare persoon in de handen van een religieuze groepering. Bij het volgende bezoek hoor je dat hij weer een doel in het leven heeft. De zin van het leven is de Schepper lief te hebben en tevens al zijn schepselen. Deze persoon heeft zich nu via de kerk in het charitatieve werk gestort.  

Opeens is het bijstaan van andere mensen wél de moeite waard. En de tegenwerping 'Waarom zou ik, het heeft toch immers allemaal geen zin' is irrelevant geworden. Want nu heeft Hij het gezegd. Ik vrees dat het Gezag hier weer doorslaggevend is. Met de almachtige Schepper ga je toch niet in discussie! Als de Intelligentie die achter de plannen van het universum zit het zegt, dan is het toch goed!

 

Een onhoudbare hypothese, een Rorschach-bewijs, gehoorzaamheid in plaats van verantwoordelijkheid, zin door Gezag.  

Hoe kan zoiets zo lang voortduren? Het bestaat al zo lang, dan moet er toch iets goeds in zitten?

Nou ja, oorlog, martelingen, moord, verkrachting, oplichting en verraad bestaan ook al heel lang, zit daar ook iets goeds in?

Nou vooruit, deze retorische vraag neemt de echte vraag niet weg: hoe kunnen mensen hier zo aan vasthouden? Waar zijn zij naar op zoek?

 

man in steen

 

Wetenschap en filosofie

Bij een wetenschappelijke benadering, waarbij je een aannemelijke hypothese opstelt om deze vervolgens aan de feiten te toetsen, lijken religies al gauw onzinnig. Maar dat lijkt er niet toe te doen en misschien is dat een aanwijzing dat het om iets anders gaat. Ik bedoel, als je religies wetenschappelijk benadert blijft er niets van over, maar toch houden mensen vol... Is dat alleen maar domheid of Gezagsgetrouwheid?

Laten we het idee dat een wetenschappelijke screening de doorslag zou moeten geven eens aan de nader onderzoek onderwerpen.

Wetenschap wordt geidentitficeerd met waarheid en waarheidsvinding, maar daar valt nog wel iets over te zeggen. De wetenschap zoals we die kennen, is terug te voeren op Descartes, een filosoof uit de zeventiende eeuw die het begrip ‘waarheid’ koppelde aan 'substantie en uitgebreidheid'. In andere woorden: Descartes beweerde dat de wereld die we dagelijks ervaren alleen ‘waar’ is, voorzover deze is uit te drukken in catagorieën van kwantiteit. Kilogrammen, meters en sekonden, dat soort eenheden. Als je gebeurtenissen kunt kwantificeren, kun je ze in wiskundige modellen vangen. Deze modellen, of hypothesen, kun je toetsen en als ze kloppen heb je de wetenschap weer een stapje verder geholpen. Daar is niks op tegen, maar in dit wereldbeeld is niets over ethiek of zingeving te vinden. Dat hoeft ook niet, zolang de wetenschap dan maar niet beweert het over 'alles' te hebben. Waardoor ze ook over 'alles' een oordeel zou kunnen vellen.

Naast ethiek en zingeving is er nog een belangrijk aspect van het leven waar de wetenschap niets over kan zeggen. In eerste instantie lijkt dit aspect misschien onbelangrijk, maar het speelt het een cruciale rol: ik doel hier op 'de ervaring'.  

 

De ervaring

Kan de wetenschap daar niets over zeggen? Dat is niet zonder meer waar. De kennis op dit gebied is ver gevorderd. Als je een kleur of een geur ervaart, kan de wetenschap tegenwoordig heel nauwkeurig aangeven wat er allemaal voor stroompjes en chemische omzettingen aan te pas komen in onze zenuwbanen en synapsen. Maar, en nu komt het, daarmee is de ervaring niet verklaard! De bewering dat de ervaring te verklaren zou zijn uit stroompjes en chemische omzettingen zou zelfs heel onwetenschappelijk zijn. Want dan zou de ervaring verklaard worden uit datgene wat we ervaren, zoals stroompjes en chemische omzettingen. Wat neer zou komen op een cirkelredenering. Dus als het gaat om een verklaring van de ervaring staat de wetenschap met lege handen…  

In wetenschappelijke verhandelingen wordt hier altijd een beetje overheen gepraat. Aan het eind van een relaas over stroompjes en chemische omzettingen wordt dan iets gezegd in de trant van: 'En dat ervaren we als groen, of als de geur van kaneel'. Maar hoe kom je nu van stroompjes terecht bij een kleur of een geur? Daar wordt verder nooit op ingegaan. De ervaring blijft voor de wetenschap  onverklaarbaar. Een constatering om even bij stil te staan. Onze ervaring van wereld, van het hele universum, is onverklaarbaar. Het overkomt ons 'zomaar', de wereld die we ervaren komt 'uit het niets'. Dit 'niets', dat in de filosofie van Descartes niet voorkomt, speelt in de existentiefilosofie van de twintigste eeuw een grote rol.    

 

Ethiek en zingeving in een nieuw licht

Je zou kunnen zeggen, je onderscheidt de wereld (van jezelf) voor zover je niet met de wereld samenvalt, voorzover je de wereld 'niet' bent. Om dit tot uitdrukking te brengen wordt in de existentiefilosofie ook de term 'vrijheid' gebruikt. De mens valt als 'vrijheid' niet samen met de wereld. Voor alle duidelijkheid, bij dit begrip ‘vrijheid’ gaat het niet om een soort vakantie, maar om het feit dat we niet samenvallen met de wereld om ons heen, dat we niet opgaan in een systeem dat wordt geregeerd door vaste natuurwetten. Dit heeft niet alleen een beschouwelijke, maar ook een praktische betekenis: het feit dat we niet samenvallen met de wereld, houdt in dat we iets in de wereld kunnen uitrichten. We ervaren feitelijkheden, maar daarin liggen ook mogelijkheden, en daaruit kunnen we in vrijheid kiezen welke we willen verwezenlijken. Naar aanleiding van de vraag naar de aard van ‘de ervaring’ kan de mens dus als ‘vrijheid’ worden gedefinieerd.

Het besef dat wij, áls vrijheid en ín vrijheid, kunnen bepalen wat we doen, kan als basis dienen voor een ethiek. Want het gaat niet alleen om de eigen vrijheid, maar om vrijheid in algemene zin, dus ook om de vrijheid van anderen. Hoe kun je die garanderen? 

Het besef van vrijheid raakt ook aan zingeving. Want wat is je keuze, wat heeft volgens jou zin om te doen? Waarin wil je je persoonlijk engageren?

Door het begrip ‘vrijheid’ kunnen ethiek en zingeving dus in een nieuw licht worden gesteld. Het gaat nu eerder om het maken van keuzen en om engagement, dan om Gezag en Gehoorzaamheid.

 

De actualiteit

Een onverklaarbare ervaring die uit het 'niets' ontstaat, een ethiek om ieders 'vrijheid' te beschermen en de mogelijkheid om, handelend, zin en betekenis aan je leven te geven. In de filosofie kan het dus ook gaan over een soort schepping uit het niets, en ook over ethiek en zingeving…

Maar er is een duidelijk verschil: in religies is de verontrustende, maar misschien ook inspirerende onverklaarbaarheid van de ervaring gewoonlijk omgevormd tot een kwasi begrijpelijke schepping, waarin er 'gewoon' een Schepper aan het werk is geweest, iets dat bij doorvragen een schijnverkaring blijkt te zijn, waarop je niet door mag vragen. Daarbij wordt je de mogelijkheid om een 'eigen' ethiek en zingeving te ontwikkelen ontnomen en vervangen door gehoorzaamheid aan voorschriften.              

Er zijn gelovigen die dat graag doen, in de veronderstelling dat deze voorschriften eeuwigheidswaarde bezitten omdat zij deel uitmaken van teksten die al eeuwen meegaan. Vaak zullen ze hierbij opmerken dat deze voorschriften, hoewel oud, nog steeds verrassend actueel zijn. Hiermee benadrukken zij de eeuwigheidswaarde, maar dat niet alleen. Tegelijkertijd geven zij hiermee aan, en misschien is dat ongewild, dat actualiteit van groot belang is. Maar als dat zo is, waarom besteden zij dan niet meer aandacht aan actuele teksten over ethiek en zingeving? Zodat zij op een een klacht over oudbakken koekjes kunnen reageren met een: 'Dan treft u het, we hebben zojuist verse koekjes gebakken'.

 

the man who saw the bigger picture

posted @ 9:37 PM | Feedback (7)

Friday, October 20, 2006

aforismen 7

 

 

American enlightment

 

I used to live in a dream

but now I know

Reality is great

Reality is the best

 

---- 

 

Onzeker

waait een papiertje

naar de overkant van de straat

 

Een overstekende poes

houdt de pas in

en kijkt het

dromerig na

 

----

 

En aan mijn handtekening

onder deze brief

kunt u wel zien

hoe boos ik ben

 

----

 

Hij lachte net als z’n moeder

Maar met het gezicht

van z’n vader

 

----

 

Waar zij is?

 

Oh, zij ligt verbeten te rusten

 

----

 

Orgas mus sein

 

----

 

-Wat zit jij tevreden te kijken!

 

-Klopt, maar ik moet er ook níet aan denken

 dat ik iets zou willen

 met jou in de buurt

 

----

 

Momenten van volmaaktheid

 

Een manke die hinkelt

Een schele die knipoogt

Een blinde die slaapt

Of een dove die zojuist

van ons is heengegaan

 

----

 

Alles onder controle

 

Hoewel…

de controle loopt misschien

een beetje uit de hand

 

----

 

Hij was zo blij als een kind

met z’n nieuwe wandelstok

 

----

 

Genetisch gemanipuleerde komiek

lacht zich kapot

 

----

 

Is het liefde

 

Of surf ik

op m’n hormomen

vlak over de riffen

van haar karakter?

 

----

 

Na Pleegzuster Bloedwijn

nu ook Pleegzuster Wondvochtlikeur

 

----

 

-Ben je dan niet teleurgesteld?

 

-Ja shit, nou je het zegt…

 

----

 

Die zaklamp is zo sterk

dat je hem ook overdag kan gebruiken

 

----

 

Ik heb geen zin meer in het leven

 

Maar als ik hier uit de bocht vlieg

en ik overleef het

en dat zal je net zien

dan moet ik alsnog

helemaal naar huis.

 

 

 

 

 

 

posted @ 6:26 PM | Feedback (0)