Friday, February 29, 2008

Waar heel werkend Nederland vrijwel hetzelfde aantal vakantiedagen kent, is in onderwijsland nog steeds het negentiende-eeuwse rurale model in gebruik. Dat wil zeggen een aanzienlijk groter aantal vakantiedagen met als kroon op het edele werk een 'grote' vakantie van ongeveer zes weken. Een verworvenheid waar de gemiddelde Nederlander alleen van kan dromen.  Deze stamt nog uit het tijdperk dat de kinderen geacht werden in deze periode ('oogstmaand') op het veld mee te werken. Een vorm van kinderarbeid die gelukkig slechts zelden meer voorkomt en ook voor de aanvulling van het gezinsinkomen geen rol van betekenis meer speelt.

Een secundaire arbeidsvoorwaarde die het onderwijs op het eerste oog aantrekkelijk maakt. Maar is dat werkelijk zo? Het grote aantal vakantiedagen en met name de frequentie ervan maakt dat onderwijsproces steeds onderbroken wordt: voor de leerlingen goed en wel op gang zijn gekomen (en in sommige gevallen wellicht hun docenten ook), wordt de spanningsboog weer onderbroken en begint het na de vakantie weer van voren af aan. In de tijd die tussen de vakanties rest, moet vervolgens in  vrij korte (onderwijs)tijd het leerpoces zijn beslag krijgen. De ervaren werkdruk in het onderwijs zou hier wel eens zijn oorsprong in kunnen vinden. Waar in andere sectoren het werk over een groter aantal uren is verdeeld, kan (moet?) het in het onderwijs in bijna de helft van de tijd.

Dat pleit ervoor de vakanties in het onderwijs meer te laten overeenkomen met de gebruikelijke termijnen. Deze maatregel, waar tot nu toe geen enkele onderwijsminister zijn of haar handen heeft willen branden, kent enkele belangrijke voordelen. Ten eerste verloopt het onderwijsproces met minder onderbrekingen en daardoor meer efficient, ten tweede wordt de werkdruk beter over het jaar verspreid en ten derde zullen ouders zich minder zorgen hoeven te maken over de zorg voor hun kroost op de vele dagen dat zij wel moeten werken.

posted @ 6:51 PM | Feedback (4)