Thursday, July 27, 2006

Tijdens deze warme zomerdagen een hart onder de riem van de onderwijgevenden die langzaam aan het herstellen zijn van het buffelen tijdens het afgelopen schooljaar. Een positief geluid van de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel. Het is even wennen aan de veelvuldig terugkerende term beroepsgroep (spreek dit woord maar eens tien keer snel achter elkaar uit) maar laat je baden in een warm bad van oprecht optimisme en (herwonnen?) beroepstrots. 

Op gang brengen en houden

Onder auspiciën van de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel (SBL) werd het grootschalige project Onderwijs aan het woord uitgevoerd (januari-juni 2006). De bedoeling van dit project is om het gesprek met de beroepsgroep van werkenden in het onderwijs op gang te brengen en te houden. Waar is de beroepsgroep uitermate tevreden over, waarover juist niet? Wat blijken succesvolle werkomgevingen te zijn, waar sterven de goede bedoelingen een stille dood? Waar liggen de prioriteiten? Waarom wel, waarom niet?

Via een website www.onderwijsaanhetwoord.nl werd begin 2006 een brede doelgroep benaderd. Meer dan 12.000  leraren, klasse- en onderwijsassistenten,docenten, studenten, universitair hoofddocenten en aio’s gehoor aan deze uitnodiging. Zij vormen daarmee een representatieve doorsnee naar sector, geslacht, leeftijd en ervaring. De beroepsgroep is het meest tevreden over het werken met leerlingen en studenten. Ook is men behoorlijk tevreden over de waardering die men krijgt, zowel van leerlingen als collega's. De mensen in het onderwijs ervaren het als belangrijk en stimulerend dat ze van elkaar en anderen kunnen leren. Maar in de dagelijkse praktijk komt dat naar hun oordeel toch niet van de grond. Men is daar het minst tevreden over. 

Wat kan (veel) beter: top-10 verbeterpunten Uit de websurvey rolt een aantal verbeterpunten. Dit zijn punten waarbij een groot verschil bestaat tussen het belang dat de beroepsgroep eraan hecht en de mate van tevredenheid over de uitwerking in de praktijk. 

Organisatie Het belangrijkste verbeterpunt betreft de organisatie. ‘Ik wil dat de onderwijsorganisatie op rolletjes loopt’. Er knelt nogal wat in de onderwijsorganisatie, zo blijkt, en daar moet dringend iets aan gebeuren. In de sectoren VO, BVE en de lerarenopleidingen staat dit organisatieprobleem als eerste genoteerd. Ook het tweede verbeterpunt is van organisatorische aard. Als derde stelling komt ‘Ik vind dat het werk zo georganiseerd moet zijn dat je makkelijk van elkaars kennis en ervaring gebruik kunt maken’. Bij de BVE, de lerarenopleiding en het HBO staat dit op de derde plaats, bij hetvoortgezet onderwijs op de vierde en in het WO op de vijfde plaats.

Waardering Het vierde verbeterpunt is ‘Ik heb graag een goed salaris’. Opvallend bij deze score is het verschil tussen de sectoren. In het primair onderwijs staat deze bovenaan. In het VO op de derde plaats en bij de andere sectoren komt deze niet voor in de top 10. Voor de hele respondentgroep is ‘Waardering door het management/schoolleiding’ een belangrijk verbeterpunt, in de rij gevolgd door ‘maatschappelijke waardering’. Maatschappelijke waardering is vooral bij PO, VO en de lerarenopleidingen een verbeterpunt. Binnen BVE, HBO en WO is men niet tevreden over de waardering die men krijgt van het management.

Leren en visieontwikkeling In alle sectoren komen diverse verbeterpunten met betrekking tot leren, ontplooiing, gebruik maken van elkaars kennis en ervaring, nabespreking enz voor. Als team leren van andere scholen komt niet in het HBO en het WO voor. Professionalisering is het onderliggende thema, de manier waarop verschilt wat per sector. Een inspirerende visie is belangrijk, toch vindt de beroepsgroep daar in de praktijk weinig van terug. Behalve in het WO vindt men dat de visie op onderwijs vanuit het team moet komen en dat dit nu onvoldoende het geval is.

Een aantal verbeterpunten komen  in de praktijk niet of nauwelijks uit de verf komen. Hoe kan dat?

Tijd(gebrek) Een belangrijke oorzaak is de factor tijd die bij veel verbeterpunten om de hoek komt kijken. Daarbij ontstaat steeds de discussie of er werkelijk geen tijd beschikbaar is of dat het een kwestie is van tijd nemen en dus van keuzes maken en prioriteiten stellen.

Te weinig wisselwerking Een andere vaker genoemde oorzaak is de geringe wisselwerking van kennis, vaardigheden, capaciteiten binnen en buiten de school. Het gaat dan om kennis van verschillende terreinen. De beroepsgroep participeert onvoldoende in netwerken met andere scholen en expertisecentra. De beroepsbeoefenaren hebben geen goed beeld van wat er op dat gebied te koop is; wat zij kunnen halen en wat zij kunnen brengen. Dat leidt er ook toe dat zij onvoldoende in staat zijn om steeds adequaat in te spelen op verschillen tussen leerlingen, een bestaande methode aan te passen aan actuele ontwikkelingen of hun onderwijs met maatwerk te vernieuwen.

Top-down beleid Een andere oorzaak is het top-down doorvoeren van beleid en in samenhang daarmee de bureaucratie en de macht van het management. Deze oorzaak ligt onder meer ten grondslag aan het feit dat de beroepsbeoefenaren voor hun gevoel onvoldoende bezig zijn met vernieuwing van hun onderwijs, hun kennis en vaardigheden onvoldoende benut worden en zij zichzelf onvoldoende kunnen ontplooien in hun werk.

Meer enthousiasme De onderwijgevenden ervaren nogal eens een gebrek aan competenties bij het management, waardoor zij zich voor hun gevoel onvoldoende kunnen ontplooien in hun werk. Ze vinden dat het personeelsbeleid onvoldoende gericht is op de verbetering van het onderwijs; ze krijgen ook te weinig mogelijkheden om daadwerkelijk werk te maken van onderwijsvernieuwingen.

Een oorzaak die ook vaker terugkomt is het gevoel van sommigen dat ze jaarlijks iets in moeten leveren aan bevlogenheid en enthousiasme. Deze oorzaak speelt een rol bij vele verbeterpunten. Het enthousiasme, de bevlogenheid en de veranderingsbereidheid vormen juist een solide basis voor verdere vernieuwing van het onderwijs en een actieve rol van de beroepsgroep daarin, een organisatie die op rolletjes loopt en samenwerking met andere scholen.

Vier thema’s de komende jaren op  de onderwijsagenda Uit de websurvey blijkt dat de belangrijkste knelpunten zich concentreren rond de volgende  vier thema’s:

Het beroep Het gevoel hebben dat mijn werk belangrijk is. De leerlingen een goede toekomst geven.

Professionalisering en persoonlijke ontwikkeling • Deelname aan netwerken met andere scholen en expertisecentra. • Waardering van de schoolleiding/direct leidinggevende. • Lesbezoek en nabespreking met collega’s. • Als team leren van andere scholen. • Het werk zo organiseren dat je gemakkelijk van elkaar kunt leren. • Mijzelf kunnen ontplooien in mijn werk. • Scholing en opleiding.

Onderwijsvernieuwing • Inspelen op individuele verschillen tussen leerlingen. • Aanpassen van een bestaande methode aan actuele onderwijsontwikkelingen. • Vernieuwing van het onderwijs, samen met collega’s. • Benutten van kennis en vaardigheden onderwijsprofessional bij het ontwikkelen en verbeteren van het onderwijs in de school. • De onderwijsprofessional wil mee vooroplopen om het onderwijs bij de tijd te houden. • Als collega’s werken vanuit een gedeelde visie. • Een inspirerende visie op onderwijs in mijn school. • Het personeelsbeleid op school richten op verbetering van het onderwijs.

De randvoorwaarden • De organisatie van de school loopt op rolletjes. • In een opgeruimde omgeving werken.

Wanneer je meer wilt lezen over de mogelijke oplossingsrichtingen dan kun je hier terecht dan wel op de site van de stichting SBL.

posted @ 1:40 PM | Feedback (0)