In een artikel in de Volkskrant zette Jaap Dronkers, bedenker van de scholenvergelijking in de Trouw en nu hoogleraar aan het Europees Universitair Instituut in Florence een viertal voorstellen uiteen om talenten in het Nederlandse onderwijs beter te benutten . Hieronder volgt een korte samenvatting van zijn vier voorstellen ter verbetering van het onderwijs. Een complete versie van de publicatie die ten grondslag lag aan dit artikel vind je hier of onder het kopje Wijs Onderwijs.
Samengevat tot vier actiepunten:
1 Laat scholen onderling concurreren.
Scholen worden effectiever door onderlinge concurrentie. Onderwijsinstellingen moeten dus weer worden opgebroken in kleinere bestuurlijke eenheden, zodanig dat er per regio meerdere aanbieders van eenzelfde onderwijstype zijn en er dus concurrentie om leerlingen en leerkrachten kan ontstaan. Ik pleit hier niet voor kleine scholen: het is niet waar dat leerlingen op kleinere scholen betere leerprestaties hebben. Ik wil alleen de mogelijkheden tot concurrentie tussen scholen vergroten, zodat ouders, leerlingen en leerkrachten meer keuze hebben. Hiervoor moeten we de vrije schoolkeuze door ouders van leerlingen wettelijk vastleggen en elke financiële en sociale selectie verbieden. Concurrentie zal de effectiviteit van scholen verbeteren en dus potentiële talenten stimuleren.
2 Leg het bestuur in handen van ouders en leerkrachten.
Scholen zijn effectiever naarmate leerlingen, leerkrachten en ouders zich meer bij hun school betrokken voelen. Die betrokkenheid wordt groter als ouders en leerkrachten mede-eigenaren zijn van de school. Uit Europees onderzoek blijkt dat religieuze scholen (ook niet-christelijke scholen) effectiever zijn dan vergelijkbare openbare scholen. De leerlingen op deze scholen vallen minder uit en presteren beter. Dit komt omdat ouders en leerkrachten van deze scholen zich meer bij de school betrokken voelen. Om de betrokkenheid van ouders en leerkrachten te versterken, moet het schoolbestuur door hen worden gevormd, aangevuld door vertegenwoordigers van de samenleving (gemeente, religieuze groepering, werkgevers, bijvoorbeeld). Dit laatste vooral omdat het onderwijs ook een groot maatschappelijk belang dient.Het bestuur van alle onderwijsinstellingen wordt zo een rechtspersoon, waarvoor tripartiet (leerkrachten, ouders, vertegenwoordigers van de samenleving) leden worden voorgedragen.De besturing door direct belanghebbenden, gecombineerd met een resultaatgerichte kwaliteitsbewaking, vergroot de betrokkenheid van ouders en leerkrachten bij hun onderwijs en zo de effectiviteit van scholen.
3 Beoordeel scholen alleen op de leerprestaties van de leerlingen.
De kwaliteit van alle onderwijstypen moet gegarandeerd worden door een centraal eindexamen. Dit voorkomt dat scholen in schijn effectief worden, doordat ze te gemakkelijk diploma’s uitreiken. Hierdoor worden leerlingen opgescheept met een waardeloos diploma en blijven hun talenten onbenut. Alles moet draaien om de leerprestaties van de leerling. De beoordeling door de onderwijsinspectie van onderwijsmiddelen en -vormen moet worden gestaakt. Alleen zo wordt de verantwoordelijkheid van de onderwijzers en scholen gestimuleerd, en daarmee ook hun effectiviteit. De inspectie moet zich beperken tot resultaatgerichte kwaliteitsbewaking. Een school die onder de maat presteert moet geen ‘verbetertraject’ krijgen, maar moet onmiddellijk door de onderwijsinspectie gesloten en failliet verklaard worden. In een dergelijk geval worden de onderwijzers werkloos. Dit is hard maar nodig. Want het zijn de leerlingen die het slachtoffer worden van slechte scholen en leerkrachten, en zij kunnen hun schooltijd niet overdoen in een ‘verbetertraject’.
4 Verbeter het niveau van de leerkrachten.
Beter opgeleide onderwijskrachten maken scholen effectiever. Nieuwe leerkrachten en docenten zullen vaker gerekruteerd moeten worden uit universitair geschoolden. Ook wordt geregelde bijscholing van onderwijzers verplicht. De docenten van de toekomst krijgen daar concurrerende arbeidsvoorwaarden voor terug.