Tuesday, September 13, 2011

Ken Robinson spreekt op zeer onderhoudende manier over de wijze waarop scholen met creativiteit omgaan.

http://www.ted.com/talks/lang/dut/ken_robinson_says_schools_kill_creativity.html .

Leerzaam!

posted @ 8:20 PM | Feedback (0)

Monday, January 31, 2011

vv

posted @ 1:39 PM | Feedback (1)

Saturday, August 22, 2009

Al jaren is in de grote steden een verwoede strijd aan de gang om integratie op de scholen en dan vooral die met een havo- en vwo- of gymnasiumafdeling te bevorderen. Ingrepen door de overheid, zoals bijvoorbeeld het postcodebeleid of het samenvoegen van scholen, resulteerden weinig tot geen effect. Zogenaamde witte scholen blijven overwegend witter tot witst, de zwarte worden zwarter. In Utrecht onstond zelfs een witte vlucht naar scholen als de Werkplaats in Bilthoven of het Herman Jordan in Zeist. Maar ook Amsterdam Zuid-Oost kent bijvoorbeeld een zwarte vlucht van havo- en vwo-leerlingen naar het stadsdeel met de hoogste concentratie voortgezet onderwijsscholen en dan vooral gymnasia: Amsterdam Oud-Zuid. Door de hoge concentratie witte scholen in dit deel van de stad is het nuttig effect van deze leerlingmigratie te verwaarlozen.

Het is een interessante gedachte om je af te vragen of deze opgelegde integratie wel de juiste weg is en of er wellicht andere perspectieven mogelijk zijn. Kijk je naar het verleden in onderwijs in Nederland dan tekent zich een rijke geschiedenis af van sociale en economische emancipatie van bevolkingsgroepen (van katholieken tot arbeiders) die op enigerlei tijd door extra aandacht die specifiek op deze groepen zelf waren gericht, vooruit werden geholpen. Niemand zal ontkennen dat de kern van het probleem van integratie een sociaal-economische is. Verbetering van deze sociaal-economische situatie, concreet genomen dus beter betaald en uitdagender werk, start bij het onderwijs. Onderwijs van een zo goed mogelijke kwaliteit. Onderwijs dat zo goed mogelijk in zijn aanpak aansluit op de specifieke doelgroep. Maar daarnaast ook onderwijs dat vooral hoge eisen stelt aan kinderen.

Het is daarom verstandig, op het gevaar politiek incorrect te zijn, te streven naar de realisatie van zwarte topscholen. Scholen waar hoge eisen worden gesteld aan leerlingen van allochtone afkomst, waar extra inzet wordt gepleegd om hen in aaraking te brengen met allerlei zaken die van huisuit minder vanzelfsprekend zijn en dat alles met het doel om ze ze zo goed mogelijk voor te bereiden op deelname aan het hoger en universitair onderwijs. Daarvoor is een extra en speciaal op de specifieke doelgroep gerichte benadering nodig. De geschiedenis heeft geleerd dat vaak slechts een decennium duurt voordat een verbetering van de sociaal-economische situatie en daarmee ook integratie daadwerkelijk een feit is. Stel je voor: zelfs een school als het Vossius Gymnasium in Amsterdam Oud-Zuid die in 2020 een leerlingpopulatie kent die een afspiegeling is van Amsterdamse bevolking... dat is een mooi streven.

posted @ 9:17 PM | Feedback (1)

Sunday, September 28, 2008

Wellicht ook gelukkig in een tijd waarin de ene hype op de ander volgt: het onderwijs is wanneer je het naar zijn structuren en werkwijzes beschouwt een van de meest onbeweeglijke sectoren in de maatschappij. Toch is het de vraag of Beter Onderwijs in Nederland ook Tradioneel Onderwijs in Nederland is. De karakteristieke frontale doceerstijl met de de leerlingen in busopstelling is nog altijd de vigerende methode in de meeste scholen. Niets mis mee wanneer er sprake is van buitengewoon inspirerende docent die zijn gehoor aan zijn of haar lippen heeft hangen. Meestal is dat echter niet het geval en is er met deze doceerstijl geen sprake van een effectieve, laat staan efficiënte, wijze van kennisoverdracht.

Hetzelfde geldt voor het al decennialange gehanteerde beloningssysteem in het onderwijs dat een betrekkingsomvang relateert aan de hoeveelheid te geven lesssen. De hoeveelheid taken die onlosmakelijk aan het geven van deze lessen zijn verbonden, zoals voorbereiding, nakijkwerk en vergaderingen, worden op schoolniveau in het zogenaamde taakbeleid in - niet zelden eindeloos - overleg tussen de medezeggenschapsraad en schoolleiding vastgesteld. Eén van de belangrijkste oorzaken van de bijna fundamentele inertie van het onderwijs zit hem dan ook in dit systeem. Het verhindert in ieder geval een andere wijze van organiseren van het onderwijs. Deze hoeft bijvoorbeeld niet noodzakelijkerwijs in leseenheden, niet in alle eenzaamheid tussen vier muren, met een passieve rol van leerlingen plaats te vinden. Dit systeem verhindert dat men docenten inzet op een wijze die het beste past bij hun vaardigheden en kwaliteiten.    

Laat die spreekwoordelijke docent alstublieft zijn  bevlogen lessen geven. Die herken je snel genoeg aan de aan de twinkeling in de ogen en de ademloze aandacht van de leerlingen. Maar zorg voor dat je het overige negentiende deel van het onderwijs zo organiseert dat de leerlingen op meerdere wijzen hun kennis en vaardigheden opdoen. Ook niet onbelangrijk: zorg ervoor dat het werk van docenten buiten het klaslokaal zichtbaar wordt voor collega's. Al het minitieus geformuleerde taakbeleid ten spijt is de ongelijkheid tussen het werk dat docenten, vaak zelfs binnen vaksecties, verzetten in het onderwijs groot. Waar de één de schooldeur achter zich dicht trekt, en dan ook geheel vertrokken is, zit haar of zijn collega vaak nog uren, thuis of op school, te werken. Ook dat voorkom je door in het onderwijs de in gehele maatschappelijke sector gebruikelijke verrekening in uren in te voeren. Een kleine administratieve ingreep met grote mogelijkheden.   

posted @ 10:56 AM | Feedback (2)

Friday, February 29, 2008

Waar heel werkend Nederland vrijwel hetzelfde aantal vakantiedagen kent, is in onderwijsland nog steeds het negentiende-eeuwse rurale model in gebruik. Dat wil zeggen een aanzienlijk groter aantal vakantiedagen met als kroon op het edele werk een 'grote' vakantie van ongeveer zes weken. Een verworvenheid waar de gemiddelde Nederlander alleen van kan dromen.  Deze stamt nog uit het tijdperk dat de kinderen geacht werden in deze periode ('oogstmaand') op het veld mee te werken. Een vorm van kinderarbeid die gelukkig slechts zelden meer voorkomt en ook voor de aanvulling van het gezinsinkomen geen rol van betekenis meer speelt.

Een secundaire arbeidsvoorwaarde die het onderwijs op het eerste oog aantrekkelijk maakt. Maar is dat werkelijk zo? Het grote aantal vakantiedagen en met name de frequentie ervan maakt dat onderwijsproces steeds onderbroken wordt: voor de leerlingen goed en wel op gang zijn gekomen (en in sommige gevallen wellicht hun docenten ook), wordt de spanningsboog weer onderbroken en begint het na de vakantie weer van voren af aan. In de tijd die tussen de vakanties rest, moet vervolgens in  vrij korte (onderwijs)tijd het leerpoces zijn beslag krijgen. De ervaren werkdruk in het onderwijs zou hier wel eens zijn oorsprong in kunnen vinden. Waar in andere sectoren het werk over een groter aantal uren is verdeeld, kan (moet?) het in het onderwijs in bijna de helft van de tijd.

Dat pleit ervoor de vakanties in het onderwijs meer te laten overeenkomen met de gebruikelijke termijnen. Deze maatregel, waar tot nu toe geen enkele onderwijsminister zijn of haar handen heeft willen branden, kent enkele belangrijke voordelen. Ten eerste verloopt het onderwijsproces met minder onderbrekingen en daardoor meer efficient, ten tweede wordt de werkdruk beter over het jaar verspreid en ten derde zullen ouders zich minder zorgen hoeven te maken over de zorg voor hun kroost op de vele dagen dat zij wel moeten werken.

posted @ 6:51 PM | Feedback (4)

Monday, December 31, 2007

Al weer een hele tijd geleden werd in het voortgezet onderwijs het zogenaamde taakbeleid ingevoerd. Door de overheid en de grote onderwijsbonden werd een systeem in het leven geroepen dat de ondervonden ongelijkheid tussen docenten in het onderwijs zou moeten voorkomen. Zoals bekend wordt in het voortgezet onderwijs onderwijzend personeel nog steeds betaald naar het aantal lessen dat verzorgd wordt. Gerelateerd aan deze lessen wordt vervolgens naar een rekenmodel een aantal taken, verplichte en vrijwillige scholing, tot op vrijwel de minuut verrekend.

Als je kijkt hoe dit systeem heeft uitgegepakt, kun je constateren dat het volstrekt zijn doel voorbij is geschoten. Erger nog, het heeft in de praktijk vaak het volstrekt tegenovergestelde effect gesorteerd. Docenten die uit enthousiasme en/of idealisme, en daar lopen er gelukkig heel veel van rond in het onderwijs, zich weinig gelegen lieten liggen aan het letterlijk minitieus bepaalde takenpakket, gaan daar net als vroeger, ver over heen. Collega's die het op het gebied van de arbeidsethos wat minder nauw nemen weten zich vaak gesterkt, niet in het minst door de eigen rol van rekenmeester, het Persoonlijk Inzet Plan of hoe het ook mag heten, in eigen voordeel te benutten.

Wat is de oplossing? Die is vrij simpel maar vraagt wel enige durf van de partijen aan de CAO-onderhandelingstafel: schaf ten eerste de archaische  verrekening naar lessen af in het onderwijs af en hanteer een 36-urige werkweek zoals in andere sectoren maar ook in het onderwijs in de meeste Europese landen gebruikelijk is. Zorg er vervolgens voor dat docenten zo flexibel mogelijk in hun teams vooral dat werk kunnen doen waar zij goed in zijn. Laat die werkverdeling vooral ook binnen de teams plaatsvinden. De kans dat de ongelijkheid dan onrechtvaardige of onaanvaardbare vormen aanneemt, minimaliseer je daarmee aanzienlijk. In ieder geval meer dan door een systeem dat gelijkheid en beleid voornamelijk suggereert.

posted @ 12:23 PM | Feedback (2)

Monday, April 30, 2007

Stand-upper Taylor Mali over het voor onderwijsmensen overbekende fenomeen: “Werk je in het onderwijs?“ Met ditmaal een zelfbewust antwoord. Als medicijn na een lange, lange werkdag.

http://www.youtube.com/watch?v=RxsOVK4syxU

posted @ 12:11 PM | Feedback (1)

Sunday, April 29, 2007

De komende weken een nieuwe categorie blogbijdragen: de onderwijstaboes. Zaken die het onderwijs een stuk leuker, beter of zelfs effectiever zouden kunnen maken maar (nog) niet bespreekbaar zijn. Sommige zijn oud, andere spiksplinternieuw. Zeker is in ieder geval dat geen onderwijsminister of -vertegenwoordiger zijn handen er vooralsnog  aan durfde te branden. Voor de komende tijd staan er stuk of acht  in de planning. Ik houd me aanbevolen voor aanvulling van onderstaande lijst.

1. Afschaffen van het taakbeleid

2. Kortere vakanties

3. Afschaffing van een lesgerelateerd beloningssysteem

4. De zwarte topschool

5. Kleinere schooleenheden

6. Verplichte (bij)scholing voor docenten en schoolleiding

7. Wettelijke verankering medezeggenschap leerlingen

8. Vrije vestiging van scholen

 

 

posted @ 6:41 PM | Feedback (1)

Saturday, January 06, 2007

Enige tijd heeft deze blog stil gelegen: nieuwe werkzaamheden lieten weinig tijd ook zo nu en dan het  blog bij te werken met nieuwe wetenswaardigheden en opinies. Daar breng ik binnenkort weer verandering  in: “All work and no play makes Jack a dull boy.” Voor de cinefielen onder u: uit welke film stamt dit citaat?

Binnenkort enkele blogbijdragen over onderwijs en film,  de twee zijden aan het oprichten van de VO-raad en de bijzondere vorm van voortgezet kunstonderwijs van het IVKO in Amsterdam.

posted @ 6:08 PM | Feedback (1)

Thursday, July 27, 2006

Tijdens deze warme zomerdagen een hart onder de riem van de onderwijgevenden die langzaam aan het herstellen zijn van het buffelen tijdens het afgelopen schooljaar. Een positief geluid van de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel. Het is even wennen aan de veelvuldig terugkerende term beroepsgroep (spreek dit woord maar eens tien keer snel achter elkaar uit) maar laat je baden in een warm bad van oprecht optimisme en (herwonnen?) beroepstrots. 

Op gang brengen en houden

Onder auspiciën van de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel (SBL) werd het grootschalige project Onderwijs aan het woord uitgevoerd (januari-juni 2006). De bedoeling van dit project is om het gesprek met de beroepsgroep van werkenden in het onderwijs op gang te brengen en te houden. Waar is de beroepsgroep uitermate tevreden over, waarover juist niet? Wat blijken succesvolle werkomgevingen te zijn, waar sterven de goede bedoelingen een stille dood? Waar liggen de prioriteiten? Waarom wel, waarom niet?

Via een website www.onderwijsaanhetwoord.nl werd begin 2006 een brede doelgroep benaderd. Meer dan 12.000  leraren, klasse- en onderwijsassistenten,docenten, studenten, universitair hoofddocenten en aio’s gehoor aan deze uitnodiging. Zij vormen daarmee een representatieve doorsnee naar sector, geslacht, leeftijd en ervaring. De beroepsgroep is het meest tevreden over het werken met leerlingen en studenten. Ook is men behoorlijk tevreden over de waardering die men krijgt, zowel van leerlingen als collega's. De mensen in het onderwijs ervaren het als belangrijk en stimulerend dat ze van elkaar en anderen kunnen leren. Maar in de dagelijkse praktijk komt dat naar hun oordeel toch niet van de grond. Men is daar het minst tevreden over. 

Wat kan (veel) beter: top-10 verbeterpunten Uit de websurvey rolt een aantal verbeterpunten. Dit zijn punten waarbij een groot verschil bestaat tussen het belang dat de beroepsgroep eraan hecht en de mate van tevredenheid over de uitwerking in de praktijk. 

Organisatie Het belangrijkste verbeterpunt betreft de organisatie. ‘Ik wil dat de onderwijsorganisatie op rolletjes loopt’. Er knelt nogal wat in de onderwijsorganisatie, zo blijkt, en daar moet dringend iets aan gebeuren. In de sectoren VO, BVE en de lerarenopleidingen staat dit organisatieprobleem als eerste genoteerd. Ook het tweede verbeterpunt is van organisatorische aard. Als derde stelling komt ‘Ik vind dat het werk zo georganiseerd moet zijn dat je makkelijk van elkaars kennis en ervaring gebruik kunt maken’. Bij de BVE, de lerarenopleiding en het HBO staat dit op de derde plaats, bij hetvoortgezet onderwijs op de vierde en in het WO op de vijfde plaats.

Waardering Het vierde verbeterpunt is ‘Ik heb graag een goed salaris’. Opvallend bij deze score is het verschil tussen de sectoren. In het primair onderwijs staat deze bovenaan. In het VO op de derde plaats en bij de andere sectoren komt deze niet voor in de top 10. Voor de hele respondentgroep is ‘Waardering door het management/schoolleiding’ een belangrijk verbeterpunt, in de rij gevolgd door ‘maatschappelijke waardering’. Maatschappelijke waardering is vooral bij PO, VO en de lerarenopleidingen een verbeterpunt. Binnen BVE, HBO en WO is men niet tevreden over de waardering die men krijgt van het management.

Leren en visieontwikkeling In alle sectoren komen diverse verbeterpunten met betrekking tot leren, ontplooiing, gebruik maken van elkaars kennis en ervaring, nabespreking enz voor. Als team leren van andere scholen komt niet in het HBO en het WO voor. Professionalisering is het onderliggende thema, de manier waarop verschilt wat per sector. Een inspirerende visie is belangrijk, toch vindt de beroepsgroep daar in de praktijk weinig van terug. Behalve in het WO vindt men dat de visie op onderwijs vanuit het team moet komen en dat dit nu onvoldoende het geval is.

Een aantal verbeterpunten komen  in de praktijk niet of nauwelijks uit de verf komen. Hoe kan dat?

Tijd(gebrek) Een belangrijke oorzaak is de factor tijd die bij veel verbeterpunten om de hoek komt kijken. Daarbij ontstaat steeds de discussie of er werkelijk geen tijd beschikbaar is of dat het een kwestie is van tijd nemen en dus van keuzes maken en prioriteiten stellen.

Te weinig wisselwerking Een andere vaker genoemde oorzaak is de geringe wisselwerking van kennis, vaardigheden, capaciteiten binnen en buiten de school. Het gaat dan om kennis van verschillende terreinen. De beroepsgroep participeert onvoldoende in netwerken met andere scholen en expertisecentra. De beroepsbeoefenaren hebben geen goed beeld van wat er op dat gebied te koop is; wat zij kunnen halen en wat zij kunnen brengen. Dat leidt er ook toe dat zij onvoldoende in staat zijn om steeds adequaat in te spelen op verschillen tussen leerlingen, een bestaande methode aan te passen aan actuele ontwikkelingen of hun onderwijs met maatwerk te vernieuwen.

Top-down beleid Een andere oorzaak is het top-down doorvoeren van beleid en in samenhang daarmee de bureaucratie en de macht van het management. Deze oorzaak ligt onder meer ten grondslag aan het feit dat de beroepsbeoefenaren voor hun gevoel onvoldoende bezig zijn met vernieuwing van hun onderwijs, hun kennis en vaardigheden onvoldoende benut worden en zij zichzelf onvoldoende kunnen ontplooien in hun werk.

Meer enthousiasme De onderwijgevenden ervaren nogal eens een gebrek aan competenties bij het management, waardoor zij zich voor hun gevoel onvoldoende kunnen ontplooien in hun werk. Ze vinden dat het personeelsbeleid onvoldoende gericht is op de verbetering van het onderwijs; ze krijgen ook te weinig mogelijkheden om daadwerkelijk werk te maken van onderwijsvernieuwingen.

Een oorzaak die ook vaker terugkomt is het gevoel van sommigen dat ze jaarlijks iets in moeten leveren aan bevlogenheid en enthousiasme. Deze oorzaak speelt een rol bij vele verbeterpunten. Het enthousiasme, de bevlogenheid en de veranderingsbereidheid vormen juist een solide basis voor verdere vernieuwing van het onderwijs en een actieve rol van de beroepsgroep daarin, een organisatie die op rolletjes loopt en samenwerking met andere scholen.

Vier thema’s de komende jaren op  de onderwijsagenda Uit de websurvey blijkt dat de belangrijkste knelpunten zich concentreren rond de volgende  vier thema’s:

Het beroep Het gevoel hebben dat mijn werk belangrijk is. De leerlingen een goede toekomst geven.

Professionalisering en persoonlijke ontwikkeling • Deelname aan netwerken met andere scholen en expertisecentra. • Waardering van de schoolleiding/direct leidinggevende. • Lesbezoek en nabespreking met collega’s. • Als team leren van andere scholen. • Het werk zo organiseren dat je gemakkelijk van elkaar kunt leren. • Mijzelf kunnen ontplooien in mijn werk. • Scholing en opleiding.

Onderwijsvernieuwing • Inspelen op individuele verschillen tussen leerlingen. • Aanpassen van een bestaande methode aan actuele onderwijsontwikkelingen. • Vernieuwing van het onderwijs, samen met collega’s. • Benutten van kennis en vaardigheden onderwijsprofessional bij het ontwikkelen en verbeteren van het onderwijs in de school. • De onderwijsprofessional wil mee vooroplopen om het onderwijs bij de tijd te houden. • Als collega’s werken vanuit een gedeelde visie. • Een inspirerende visie op onderwijs in mijn school. • Het personeelsbeleid op school richten op verbetering van het onderwijs.

De randvoorwaarden • De organisatie van de school loopt op rolletjes. • In een opgeruimde omgeving werken.

Wanneer je meer wilt lezen over de mogelijke oplossingsrichtingen dan kun je hier terecht dan wel op de site van de stichting SBL.

posted @ 1:40 PM | Feedback (0)

Wednesday, July 05, 2006

Enkele blogs terug werd al het toekomstscenario van golven competente meisjes geschilderd. Deze toekomst blijkt echter verrassend nabij. Uit de internationaal vergelijkende trendstudie van ITS door Annemarie van Langen & Geert Driessen van de Radboud Universiteit, op verzoek van het Ministerie van OCW, blijkt dat meisjes inderdaad een fikse inhaalslag hebben gemaakt. Hun onderwijsniveau is gestegen ten opzichte van vroeger, en is ook hoger geworden dan dat van jongens. Daarnaast presteren zij beter dan jongens bij taal en lezen. Ook op gebied van doorstroming (studierendement, zittenblijven en voortijdig schoolverlaten) is de positie van meisjes gunstiger dan van jongens. Er is nog wel sprake van hardnekkige sekseverschillen in studiekeuze. Meisjes kiezen nog steeds beduidend minder vaak voor bètatechnische richtingen dan jongens.

 

ITS bracht de ontwikkelingen in de schoolloopbanen van jongens en meisjes in Nederland en in een aantal andere Westerse landen - waaronder Australië, Vlaanderen, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Zweden - in dit rapport in kaart, vanaf de voor- en vroegschoolse periode tot en met de universiteit. De resultaten van de trendstudie wijzen uit dat deze ontwikkeling meer op het conto van vrouwen dan van mannen kan worden geschreven. Men zou kunnen spreken van een inhaalslag, met als gevolg dat in vrijwel alle bestudeerde landen meer vrouwen dan mannen deelnemen aan de hogere niveaus van het onderwijs. Daardoor is ook het algemene onderwijsniveau van de volwassen vrouwelijke bevolking sterker toegenomen dan van de mannelijke bevolking: in de meeste landen hebben in de categorie 25- tot 34-jarigen meer vrouwen dan mannen een tertiair onderwijsdiploma. Het verschil loopt op tot 9 procent in Australië; in Nederland is het verschil 3 procent.

 

Ook in termen van prestaties is de positie van meisjes niet ongunstig. Ze presteren significant beter dan jongens bij taal en lezen; de verschillen zijn te typeren als klein tot middelmatig en gelden in alle bestudeerde landen, in alle fasen van het primair en secundair onderwijs. Jongens presteren over het algemeen wat beter op toetsen voor rekenen/wiskunde en natuurwetenschappen, maar de verschillen zijn kleiner dan bij taal en lezen en er zijn verschillende landen (waartoe Nederland overigens niet behoort) waar een aanvankelijke voorsprong van de jongens later geheel verdwijnt. Ook wat betreft zittenblijven, deelname aan speciaal onderwijs en studierendement blijkt de onderwijspositie van meisjes en vrouwen veelal wat gunstiger dan die van jongens en mannen. In alle landen nemen meer jongens dan meisjes deel aan speciaal (voortgezet) onderwijs. In het Amerikaanse basisonderwijs blijven jongens aanzienlijk vaker zitten dan meisjes, en ook in het Nederlandse, Vlaamse en Zweedse secundair onderwijs lopen jongens meer vertraging op dan meisjes. In landen als Nederland en de Verenigde Staten is in het hoger onderwijs het studierendement van vrouwen hoger dan dat van de mannen, af te lezen aan de snelheid van afstuderen en het lagere percentage dat voortijdig afhaakt. Tenslotte behoren volgens internationale cijfers van de EU meer mannen dan vrouwen in de leeftijdscategorie van 18- tot 24-jarigen tot de voortijdig schoolverlaters.

posted @ 9:46 PM | Feedback (0)

Saturday, June 24, 2006

 

 “Er zijn zovele slechte plekken dat we in deze wereld er licht en oppervlakkig overheen moeten glijden. We moeten glijden, niet erin duiken.”

posted @ 11:31 PM | Feedback (0)

 

 “We zijn allemaal samengesteld uit onderdelen, zo zonder vorm en vreemd in elkaar gezet, dat elk moment, elk onderdeel zijn eigen spel speelt.”

posted @ 11:21 PM | Feedback (0)

 

“Als ik dans, dans ik; als ik slaap, slaap ik; ja en wanneer ik alleen in een mooie boomgaard loop, als mijn gedachten even met andere dingen bezig zijn, dan breng ik ze terug naar de boomgaard, naar de zachtheid van deze eenzaamheid en naar mij zelf.”

posted @ 10:04 PM | Feedback (0)

Monday, May 01, 2006

“Men moet veel gestudeerd hebben om weinig te weten.”

posted @ 2:55 PM | Feedback (0)