Ik keek uit mijn raam, naar de zwaluwen die daar - in de hoogte - langsscheerden en naar de afgeplatte berg in de verte. Weer vond ik dat hij op een afgegraven pyramide leek....
Het was pasen en dat betekent in Egypte tevens 'Sham El-Nessim' het feest van de beginnende zomer: "we hebben hier
maar drie seizoenen", vertelde een van de hoteljongens me: "ons feest is veel ouder dan het Paasfeest en het gaat gepaard met het zoeken van eieren en met het eten van zoute
vis." En met lente-uitjes, zoals ik in het museum had gezien.
Zowel voor moslims als voor christenen was het duidelijk een vrije dag:
veel winkels waren dicht en het was rustig op straat. Ook op de
wandelboulevards langs de Nijl.
Het was al vroeg warm. Ik voelde me een beetje vreemd. Ietwat zweverig.
Het was of er een bepaalde energie in de stad hing: energie van hoop en
verwachting na De Opstand, of energie die de oeroude cultuur hier
uitstraalde? Verbeelding wellicht, gewoon een gevolg van dagenlang te
weinig eten. Maar honger had ik nauwelijks. Gelukkig maar, want doordat het hotel onverwacht een extra bedrag had berekend, had ik nog maar een paar dinar om de laatste dagen door te komen. Dorst had ik wel, daar viel niet
tegenop te drinken. Maar daar waren de openbare kranen voor.
Een auto stopte bij de boom waaronder ik zat. Een paar donkere ogen keken
me, tussen de spleet van een zwarte burka door, onderzoekend aan: "Gaat
het?" vroeg de vrouw me. "Jawel, ik rust gewoon even uit. Het is zo warm."
"Warm? de zomer is vandaag pas begonnen."
Toen ze het brood en de perzikjes zag - het enige voedsel dat ik de
laatste dagen verdroeg - vroeg ze of ik de heerlijke Egyptische keuken al
had geproefd. Nee dus. Brood en fruit waren voor mij genoeg.
Ze
schudde haar hoofd. En met haar gehandschoende hand gooide ze een dinar in
mijn schoot. Ze reed weg, voor ik kon protesteren.
Even later slofte een oude man naar me toe, met een bekertje water in de
hand. Ik moest het leegdrinken, zei hij. Tevreden nam hij de lege
beker mee, en gebaarde dat hij weg moest - naar de moskee om te bidden.
Het werd drukker: gezinnetjes wandelden langs, stelletjes paradeerden hand in hand voorbij of
zochten een rustig plekje op de kade-rand.
Er schoot een jonge man op me af. Hij vertelde dat hij vlakbij een galerie had,
en dat hij schitterende oude sieraden had, fraaie oude handschriften en
nog veel. Bovendien was het daar lekker koel. Terwijl we erheen liepen
noemde hij de steden in Nederland op waar hij geweest was. Hij had familie
in Utrecht. Dit soort verhalen kwam me inmiddels erg bekend voor. Maar de beloofde koelte, lokte me.
De galerie bleek gevuld te zijn met recent beschilderd
papyrus. De galerie-wachter nodigde me vriendelijk uit om te gaan zitten en vroeg me wat ik mooi vond. Er waren wel een paar afbeeldingen van oude taferelen die me boeiden.
"Maar ik
koop niks", zei ik voor de zekerheid heel erg duidelijk.
Terwijl galerie-man de papyrustaferelen mooi voor me uitstalde, vreg hij mijn 'gids' om thee te halen.
Daarop bood hij mij vriendelijk aan om mijn naam in hierogyfenschrift op te schrijven. Daarvoor pakte hij een van de afbeeldingen. "Stop" zei ik streng: "stop!".Als je daarop schrijft, moet ik ze kopen, en ik heb duidelijk gezegd dat ik dat niet doe. Hou op." Onmiddellik. stond de man op, pakte zijn jas, deed de lampen uit en zei dat ik moest maken dat ik wegkwam. Maar ik stond al bij de deur....
"Wat zijn dat nou voor verkoop-praktijken?", vroeg ik later aan de hoteljongens: "zo erg heb ik het nog niet meegemaakt. Is dit nou normaal?"
"Nee", zeiden ze hoofdschuddend: "dit gaat echt te ver.
We spraken verder over verkooptechnieken, over het Paasfeest en over de rijke geschiedenis van Egypte.
Op mijn vraag of de berg die ik vanuit mijn kamer kon zien ooit een pyramide iwas geweest, was het antwoord "NEE, NEE - dat is onzin, die veronderstelling gaat echt te ver.