Op Paasmaandag liep ik mijn favoriete wandeling langs de Nijl. Een vrouw kwam me met stevige pas tegemoet. "Ik ken jou!" riep ze vrolijk: "weet je nog, gisteren in het museum...."
De schoonmaakster, dacht ik, het is de schoonmaakster. Maar wat loopt ze goed....
Het Egyptisch Museum wordt streng bewaakt. Het pad ernaartoe wordt
gecontroleerd door de politie, terwijl aan de andere kant het leger de
doorgang blokkeert.
Bij de ingang werden alle bezoekers zorgvuldig gescreend: we moesten door zo'n beveiligingspoortje, werden daarna met een
metaal detector betast; onze tassen gingen op 'de band' en werden vervolgens opengemaakt,
mijn flesje water werd besnuffeld, en de broodzak geïnspecteerd.
Het museum is groot en vol. Hier en daar geven vergeelde, getypte
papiertjes enige globale informatie. De vele gidsen leiden de bezoekrs
langs hoogtepunten die per gids verschillen. Ik ving flarden op van
diepgaande informatie over dna-onderzoek van mummies, de betekenis van de
kleuren in Het Middenrijk en zag het tijdens de Thoura gestolen beeldje -
dat weer terecht was. Was de ene gids veel kundiger dan de andere, of
pasten ze zich aan aan de interesse van hun groep?
Mijn ogen rustten lang op de beroemde beelden met ogen van edelstenen en verlustigden zich in al die betekenisvolle stukken papyrus...
Ik stond lang stil bij een piepklein mummiekistje, gemaakt voor ongeboren kindjes
die, zoals de röntgenfoto's lieten zien niet in foetushouding, maar
uitgestrekt, waren gemummificeerd. Ze schenen soms kostbare maskertjes
gedragen te hebben. Ontroerend vond ik ook de opvallend levendige portretten van
overledenen, geschilderd op hun sarcofagen.
Er was zo veel, veel te veel om al die beelden in me op te nemen. Gelukkig vond ik een
bankje, niet ver van de grafschatten van Toetanchamon, waar ik, net als iedereen, uiteraard naartoe gegaan was: indrukwekkend, al dat goud, al die
sieraden die al zo vaak bewonderd en beschreven zijn...
Wat zou de
farao er van gevonden hebben, dacht ik, als hij geweten had dat hij eens
aan de blikken van zoveel mensen blootgesteld zou worden: zijn
sarcofaag en zijn schatten liggen te kijk in het museum, maar zijn mummie niet, die is ver hiervandaan in zijn
graf in Luxor.
Een werkvrouw was bezig met het soppen en zemen van de
glazen vitrines. Ze zuchtte en plofte naast me neer op het bankje. Ze
schopte haar slippers uit en liet me haar voeten zien. Die waren dik met
gezwollen enkels: "Pijn!", zei ze en vertelde uitgebreid hoe zwaar en
vermoeiend haar werk was. Intussen zag ik al die mensen langsstromen. Een
straal zonlicht viel op de vitrine vlakbij. Ik keek omhoog, naar de
kleine ruitjes in het dak van het museum. Ze waren vies en veel waren
gebroken. Hoewel er tijdens De Opstand vandalen het museum waren binnengedrongen, was dit duidelijk niet tijdens de Thoura gebeurd.
"Kapot", zei de schoonmaakster, terwijl ze mijn blik volgde. "Hoe moet het
dan als het regent?", vroeg ik bezorgd rondkijkend. Veel beelden stonden daar zo kwetsbaar, zo onbeschermd .
"dan wordt alles nat." En terwijl
ze over haar pijnlijke voeten wreef voegde ze eraan toe: "dan moet ik
dweilen." Dat klonk berustend en ontzettend vermoeid, alsof ze regelmatig tot aan haar arme enkels in het
water stond.