Weer liep ik langs de Nijl, naar het zuidwesten dit keer. Het verkeer raasde langs, maar de oever zelf was groen, dankzij de vele, zorgvuldig onderhouden tuinen en
kwekerijen met kleurige bloemen en zingende vogeltjes. Hoge, grillig gevormde
bomen wierpen hun schaduw over de boulevard. In de verte lagen de
Nijleilanden, soms met de oevers verbonden door gigantische bruggen, dan
weer door een pontje dat alleen leek te vertrekken als het helemaal vol
was.
Aan de overkant van de weg langs de rivier, strekte
Caïro zich oneindig ver uit. De gebouwen veranderden. Ze werden hoger
en leken grauwer. Terwijl andere stadsdelen uitgesproken luxueus oogden. Ik zag
opvallend veel ziekenhuizen. Hier en daar zat een patiïent voor het raam.
Een man die klanten moest moest motiveren
om een Nijltochtje te maken, sprak me aan. Hij had in Sharm
AlSheich gewerkt en sprak goed Engels. Hij gaf me een bekertje
koffie en vroeg waarom ik niet naar de pyramides ging: "wilt u ze dan niet aanraken?"
Op de stoep zat een vrouw met een
miniscuul handeltje. Op haar schoot lag een kindje te slapen. Ze wenkte, vroeg me
om bij haar te komen zitten. Ze bood me nootjes aan. Wilde ze er geld voor? Ik gaf haar een dinar, waarop
ze me steeds meer voorwerpjes aanbood. Die heb ik geweigerd, zoveel handel had ze
nou ook weer niet. Uit haar, vrijwel onverstaanbare woorden, maakte ik op dat ze daar elke dag zat en dat er geen man
in haar leven was.
Ik liep verder - de zon brandde steeds feller. Een klein kerkje,
gewijd aan de maagd Maria, leek een goed eindpunt. Het heiligdom werd bewaakt, en ik had geen zin om het
te bezichtigen. Wel keek ik even door een spleet in de omheining - recht in de grote, zwarte ogen van een gehoofddoekt
meisje dat vreselijk moest lachen, net als ik.
.
Met de zon opzij liep ik terug naar het centrum van de stad. Ibissen vlogen over het water, en een felblauwe vogel schoot weg in het loof van een dikke boom. De vrouw met de baby zat er nog. Ze was haar kindje aan het verschonen. Toen ze klaar was, ging ik weer bij haar zitten. "Heb je honger? Wil je brood?" vroeg ik haar, terwijl ik mijn vers gekochte brood tevoorschijn haalde.
Ze begon verschrikkelijk tegen me te schelden, en riep een paar voorbijgangers te hulp. Hen vroeg ik later wat ik verkeerd gedaan had: had ik haar beledigd? Ze wendden hun hoofd af en wilden niks zeggen.
Het zat me niet lekker, dus ik vroeg de man uit Sharm AlSheigh of hij mij uit wilde leggen welke gedragsregels ik overtreden had. "Ze is gek", antwoordde hij: er zijn veel mensen zoals zij op straat."
Het antwoord bevredigde me niet echt. ...
Toen ik, enigszins bedussds, verder liep, zag ik - opeens verweg - de ijle silhouetten van de pyramides van Ghiza. Ze leken ten opzichte van elkaar te bewegen, tot ze opeens achter de hoogbouw aan de overkant van de Nijl verdwenen.