Een paar jaar geleden las ik Bin Qasserein (Tussen twee Paleizen) van
Nahib Mahfouz. Natuurlijk wilde ik graag naar de plek waar de Egyptische
nobelprijswinnaar geleefd heeft. De informatie die ik inmiddels gekregen
had, wees - min of meer - in de richting van de oude stad.
Vanuit mijn raam gezien liep er een simpele, rechte weg naartoe, maar in
de praktijk kostte
het heel wat gevraag, gezigzag en verdwaalwerk voor ik Zijn Koffiehuis
gevonden dacht te hebben.
Helaas was het nog volkomen verlaten.
Ik dwaalde dus verder door de
- langzaam ontwakende - oude stad. Niet zo poëtisch als Oud
Damascus waar je je in het begin van onze jaartelling kunt waren, maar
toch...
Op een straathoek zaten een paar vrouwen met veel plezier mais te pellen.
Lachend wenkten ze me en boden me thee aan. De conversatie was lastig,
maar vrolijk. Er kwamen steeds meer familieleden en/of vrienden langs die
gezellig meehielpen met het pelwerk. Het maispellen ging mij niet best af, dus vlocht ik
enkele nogal primitieve bloemetjes van het loof, die glimlachend
door mijn nieuwe vriendinnen
werden aangenomen.
Het werd druk op de markt. Ik kocht aardbeien en maakte ik een
geïmproviseerd gebarenpraatje met de dove
verkoper. We begrepen elkaar uitstekend.
Achter een hoge muur lag een Christelijke begraafplaats. De
beheerder wenkte me en leidde me rond over het terrein, dat hij zorgvuldig
en liefdevol
onderhield. Het was alsof je door een miniatuur-stadje liep. De
meeste tombes leken op tempeltjes of kleine kerken. Ze waren duidelijk
bedoeld voor
verschillende generaties overledenen. Een jongen, die samen met zijn
vriendin langs de zerken dwaalde, vertelde me dat hij zelf Islamitisch
was, maar dat
zijn beste vriend een Christen was: "we leven hier als broeders naast
elkaar", zei hij wijzend naar de moskeeën en de kerken achter de
omheining.
De beroemde 'hangende kerk' vond ik bij toeval. De kerk hangt - volgens
het meisje bij de ingang - niet echt, maar hij is
gebouwd bovenop een oude tempel, zodat hij ooit van verre zichtbaar was - tot
het metro-station er pal naast werd gebouwd.
Het was bloedheet toen ik Het Ford naderde. Het torent, zoals ik al vanuit mijn hotelraam had
gezien, hoog boven de stad uit. En de weg die eromheen loopt, staat garant
voor een luchtspiegeling-achtig uitzicht over een deel van stad dat tot aan de horizon ligt te zinderen in
het felle zonlicht.
Daarbij vergeleken was het koel in de oude stad. Maar de drukte van de verkopers en van het langsstromende publiek waren ronduit
bedwelmend.
Via een onduidelijke route door vele bijna doodlopende
straatjes kwam ik uit bij wat De Mooiste Straat van oud-Caïro genoemd
word. Er vlakbij was een grote, antieke poort. Daarop stond heel
duidelijk: "Bin Qasserein". Via die doorgang zou ik ongetwijfeld ik het
domein van Nahib
Mahfouz betreden. Waarschijnlijk ben ik daarna toch een verkeerde steeg
ingeslagen. Want de paleizen zelf heb ik niet gezien. En Het Koffiehuis
heb ik evenmin terug kunnen vinden.
Ik weet nog steeds niet hoe ik weer op de markt ben beland. De
mais-familie was verdwenen. Maar een fruitverkoper zwaaide enthousiast naar me. Het was de dove
jongen; hij bood me met een stralende lach een mooie, grote aardbei aan.