In rekenen ben ik nooit sterk geweest, in onderhandelen ook niet. Wel voelde ik me , na het - uiteraard op een weinigvoordelige manier - wisselen van euro's in Egyptische ponden, met mijn zak vol bankbiljetten stinkend rijk .
Het viel niet mee om mijn Europese prijsgevoel in harmonie te brengen met Caïrose maatstaven. Ongetwijfeld heb ik, met mijn bijziende ogen, regelmatig een 50-pond biljet voor een 5-pond biljet aangezien. Het omgekeerde wordt, uiteraard, onmiddellijk gecorrigeerd. Daarbij kwam dat wisselen in de regel op de markt en in een theehuis duidelijk lastig was.
Iedereen die naar Egypte reist, weet dat hij door handige en vasthoudende verkopers winkels ingelokt wordt, en dat je daar sterk in je schoenen moet staan om niks (of alleen dat wat je echt wilt hebben ,voor een redelijke prijs) te kopen. Te meer daar de Egyptische handelaars zeer goede psycholgen zijn. Ten eerste schatten ze bijna feilloos in uit welk land iemand komt; waarop een paar lovende dingen over de bevolking, de hoofdstad (waar zijzelf of een familielid ooit is geweest), of over de enorme kwaliteit van de landelijke voetbalclub.
Verder waren de toeristen (na de Thoura) nog schaarse en dus begeerlijke objecten.
Ik werd gewoonlijk ingeschat als naïef en 'gevoelig voor alle mogelijke kunstuitingen'.
Voor de zoveelste papyruswinkel stond een gigantische man met vele onderkinnen. Met zijn in-vriendelijke, warme blik wist hij mij voor zijn unieke papyrus-collectie te interesseren.
"Ik koop niks!" zei ik resoluut tegen het joviale gezicht waar de woorden uit bleven stromen, terwijl het zweet in dikke druppels langs zijn ronde wangen liep.
Het was prettig koel in de winkel. Met brede gebaren wijdde Ahmed mij ial snel in in de kunst van
het papyrusmaken. Intussen vertelde hij hoeveel doodarme gezinnen er wel niet
betrokken waren bij het beschilderen van het papyrus, waarvan de kwaliteit
van de verf en van de afbeeldingen - onder ons gezegd - tot de beste in
Egypte behoorden. De echte kenners en fijnproevers uit de hele wereld stroomden van alle
kanten toe. Helaas was de handel door 'de toestand in Egypte' de laatste
maanden erg slecht geweest. Maandenlang had hij thuis gezeten, piekerend
hoe hij zijn vrouw en vier kinderen te eten moest geven en ook nog eens de huur en het
schoolgeld moest betalen. Tegelijkertijd flitsten vele traditioneel ogende 'typisch Egyptische' afbeeldingen langs me. Asl er een bij was die ik heel mooi vond, mocht ik die hebben - een cadeautje, een blijk van Egyptische gastvrijheid. Natuurlijk mocht eik rvoor geven wat ik wilde.
Ik heb getwijfeld, maar ben toch gezwicht - gezwicht voor de sympathie die ik voor deze volumineuze, gepassioneerd pratende Ahmed voelde, intussen bliksemsnel de prijs van een relatief klein, bekoorlijk schilderwerkje in euro's omrekenend. Ahmed prees mijn kennersblik. Ik koos toevallig een topstukje met een 'vaste' prijs.
Mijn berekening viel zo
voordelig uit dat ik vergat af te dingen.
Pas toen de afbeelding mij, netjes opgerold in een koker (echte papyrus breekt daarbij niet - bananenblad wel) overhandigd was,
en ik betaald had, realiseerde ik me dat ik de man wel een erg groot
aandeel van Ahmeds maandelijkse huur, had betaald.
Tijdens de thee (we waren nu vrienden) vertrouwde Ahmed mij toe dat het geld dat hij in de winkel verdiende,
niet voor hemzelf was, maar voor De Baas, die een aantal panden in de
buurt bezat. Op mijn vraag hoe die baas dan kon weten hoeveel de toeristen
precies betaald hadden, en of hij dus zelf niet iets van dat geld kon houden, gaf
hij geen antwoord. Wel stopte hij mij nog een paar afbeeldingen toe
'cadeautjes'.
Dagelijks passeerde ik Ahmeds winkel, die vlak bij het hotelletje lag, een aantal keren.
Soms zag hij me niet, dan stond hij met verve in te praten op een toerist. Soms zwaaiden we; soms riep hij mij binnen: "Hallo my friend", dan serveerde hij een kopje thee en verteld me welke cadeautjes uit Nederland hij graag wilde hebben, als ik -hopelijk snel - weer terugkwam in Caïro.
Vooruitlopend op dat volgende bezoek, accepteerde hij een
opschrijfboekje voor zijn dochtertje, maar hij wilde er wel een pen bij
hebben voor zijn zoontje en ook iets voor de twee kleintjes. Eerlijk is eerlijk, niet waar? Daar had hij natuurlijk gelijk in
Maar toen hij mij ten afscheid wel erg vriendelijk wilden omhelzen
"gewoon als broer en zus, zoals wij dat hier in Egypte doen", heb ik hem vriendellijk, maar heel krachtig van mij afgeduwd: "Nee Ahmed, niet doen. zo doen
wij dat niet in Nederland!"
Het leek een warme dag te worden. Ik vulde dus mijn waterflesjes bij de
openbare tap, vlak voor de deur van de kantoor-toren waarin het hotelletje huisde.
Twee levensgevaarlijke verkeersroutes scheidden me van de groene Nijloever. Ik zigzagde dus - veiligheidshalve - in het kielzog van een onverschrokken Egyptenaar tussen
al de auto's door. Ze stoppen alleen als je het niet verwacht.
Er loopt een smalle boulevard langs de rivier - westwaarts. Die voerde me
langs de bootjes die overal op toeristen liggen te wachten. Hier en daar
zijn groene tuinen, waarin musachtige vogeltjes het geluid van het -
rechts - langsrazende verkeer overstemmen. In de verte dobberen een paar vissersbootjes. Opeens snijdt een bedrijf de
passanten de
weg af. Een wrakke schutting leidde me over de weg, tegen het verkeer in
dat me wel erg weinig loopruimte liet.
Verder was het rustig. Slechts hier en
daar flaneerde een stelletje langs de geïmproviseerde kraampjes met lekkers .
De zon begon al snel te branden: "Heet? Het is lente. In de zomer is het
pas heet", zei een man die rozen verkocht verbaasd. Ik liep verder... met een vaag
beeld van de Nijldelta die ongetwijfeld beeldschoon in de zee zou
uitlopen. Alleen jammer dat al dat vuil zomaar in het water geameten werd. Er dobberden open gescheurde vuilniszakken langs en grote hoeveelheden plastic flessen hoopten zich op tussen het riet.
Nieuwshierigheid dreef me af en toe de - schaduwrijke - volkswijken in die aan de overkant van de weg lagen. Ik liep tussen de woontorens door die - zoals zo vaak in het Midden Oosten - kleurige marktjes en schilderachtige straatjes verhullen. Met als eindpunt een - relatief klein- Nijleiland. Want vandaar af leek Caïro's Nijloever te veranderen in een - ongetwijfeld kilometers lang - industriegebied
Het ietwat chlorige water in mijn flesjes was al lang op. De
bewoners van het eiland leken verbaasd toen een vreemdeling zo ver van de toeristische
routes hun domein betrad. Maar na enig overleg wezen een paar kinderen me een lokale tap. En een breed lachende café-baas bood me een glas thee aan.
Ik wandelde langs de oever terug naar het centrum. Het liep tegen het eind van de middag. Toen pas zag ik hoe populair de wandelboulevard is: stelletjes, gezinnen en groepen jongeren kuierden langs en keken vanaf de bruggen naar de zon, die prachtig mooi rood onderging.
Ik dronk mijn laatste resje water en vulde mijn flesjes bij de tap onder het hotel.
"Drink jij dat?' vroeg een hotelgenoot me met een vies gezicht: "dat water komt rechtstreeks uit de Nijl."
Een week later kon ik hem nog steeds verzekeren dat ik er totaal geen last van had gehad.
Egyptenaren glimlachten en knikten: wie Nijlwater drinkt, komt immers zeker terug naar Egypte.