Het visum dat je op het vliegveld van Caïro moet kopen, is beeldschoon.
"Hoe armer het land, hoe mooier de visa", zei de Engelsman achter me. Hij
bladerde door zijn paspoort dat er bijzonder exotisch uitzag. Hij vertelde
over zijn handelscontacten in - voor mij helaas - gesloten werelden, zoals
Saoedie Arabië, Qatar en Kuwait. "Je moet er iets te doen hebben, en
contacten hebben", zei hij. En die had hij blijkbaar in overvloed. Hij raadde mij aan om mijn visum vast in mijn paspoort te plakken: "anders heb je kans dat de douane je weer terugstuurt naar het eind van de rij."
Ik had alleen handbagage, en kon dus snel door naar de aankomsthal waar, inderdaad,
mijn oppikservice man stond te wachten. In zijn (prima) auto vertelde hij
me in vloeiend Engels over zijn liefde voor Mubarak: "Hij was een goede
man, hij wilde immers aftreden, maar zijn vrouw en zijn zonen - die zijn
slecht."
De vraag of een president niet sterk genoeg zou moeten zijn
om zijn vrouw en zonen - in het belang van Zijn Volk - zo nodig te
trotseren, heb ik niet gesteld.
Het vliegveld van Caïro ligt in de stad, maar de weg naar het centrum van de stad was lang.
Het hotelletje bleek zich op een
riante plek te bevinden: bovenin een goor ogend, verwaarloosd flatgebouw,
vlak tegenover Het Museum en de Nijl, en op een steenworp afstand van
Sahat Altahrir, het vrijheidsplein, waar op 25 januari het Egyptische volk
massaal zijn vrijheid heeft heroverd.
Boven kreeg ik met een bloedsnelheid de rekening, mijn sleutel, de
welkomstthee en heel veel informatie over wat ik allemaal zou kunnen en
beslist zou moeten doen en hoe weinig het allemaal kostte: "niet veel, echt
niet; u wilt toch zeker wel naar Ghiza, naar de pyramides? wij regelen het wel." Ik keek naarbuiten, en verbaasde me over de gigantische hoeveelheid
auto's die ook nu nog - 's avonds laat - bumper aan bumper de stad in en
uit stroomden.
Een Duitse man volgde mijn blik. Hij vertelde hoe schitterend je vanaf
verschillende wolkenkrabbers over heel Caïro uit kon kijken: "en het kost bijna niks." Nog mooier
dan vanaf hier?, svroeg ik me af....
Pas de volgende ochtend zag ik dat het uitzicht vanuit het raam van mijn
kamer nog mooier was: ik ontwaarde de oude stad, de okerkleurige rots erachter (in de vorm van een afgeplatte
piramide) waarop de militairen bivakkeerden. Kerken en moskeeën staan overal
broederlijk naast elkaar. Diep onder me liepen de mensen die vroege boodschappen
deden, en ik zag de vrouwen die in belendende percelen hun was ophingen. Mannen dronken
een vroeg kopje koffie in het straatje achter onze torenachtige
flat of ik zag ze zitten achter de ramen van hun kantoren. Hongens voetbalden op het
schoolplein naast de moskee en overal vlogen pijlsnelle zwaluwen rond, ver boven mijn raam
staken ze donker af tegen de felblauwe, wolkenloze lucht.
Pas later zag ik pas hoe dichtbij de Nijl was. Hij spiegelde aanlokkelijk, mij uitnodigend om de hele dag langs zijn oevers te lopen.