Je ziet ze haast niet, zo koud is het, zegt de bardame van het strandpaviljoen.
Zonet heb ik een paar uurtjes met Flo langs het strand gelopen. Ik langs de vloedlijn. Flo naaide strand en branding met kleine steekjes aan elkaar. Ze ging niet vooruit maar zigzag tussen zee en strand. Steeds bracht ze me haar balletje of een stok die ik in zee terug moest gooien.
Moest, moest, moest.
Er kwam een schip langs. Zo groot, enorm. Immense torenhoge containers in gekke moderne kleuren, gifgroen, doemden plotseling op uit de mist boven de jade zee.
Ik stond verbijsterd op het strand. Flo ging naast me staan, om ook een beetje verbijsterd te staan kijken.
Ik dacht nog, ze denkt vast: daar komen golven van. Maar toen ze ernaartoe rende stopte ze eerst om van de paardenpoep die halverwege het strand lag, te eten. En vervolgens ging ze met haar voeten hippend in de golfjes staan blaffen om… je raadt het al, haar balletje. Terwijl het schip achter haar langsvoer en weer in de mist verdween.